De duimsprong

  1. Waarom is de ik-figuur zo gedreven om haar klimmaatje Jens op te sporen? Wat vindt u van die gedrevenheid?
  2. Wat betekent bergklimmen voor de ik-figuur en hoe beoordeelt u dat verlangen?
  3. Wat is er volgens u met Jens gebeurd? Waarom denkt u dat?
  4. ‘Uiteindelijk worden alle bergen vlak,’ zegt Jens. Wat bedoelt hij daar volgens u mee?
  5. Wat is uw mening over het wetenschappelijke stuk Töne der Wasserfälle van de geoloog Albert Heim, over de noten die hij hoort in watervallen?
  6. In hoeverre schetst de ik-figuur volgens u een betrouwbaar beeld van de geoloog Albert Heim? Hoe kijkt u aan tegen zijn passie?
  7. ‘Geologie is het oog van de geschiedenis. Het landschap heeft alles gezien,’ leest de ik-figuur bij Heim. Hoe verklaart u deze uitspraak?
  8. Welke functie hebben de zijpaadjes over de waaghalzerij van Maria Spelterini in de roman volgens u?
  9. In de roman staan vele natuurbeschrijvingen. Hoe waardeert u ze? Welke heeft u speciaal getroffen en waarom?
  10. ‘Jens voelde niet langer kwijt’ (p. 246). Hoe interpreteert u deze zin?
  11. Volgens de achterflap van de roman ontrafelt de ik-figuur via haar onderzoek naar Jens en Heim ‘haar eigen geschiedenis’. Is dat volgens u gelukt? Welk beeld heeft u van haar gekregen?
  12. De duimsprong is behalve een mix van wetenschap, romankunst en rouwverwerking, ook een mix van autobiografisch reisverslag, historisch onderzoek en historische roman. Hoe heeft u de combinatie van tekstsoorten en genres ervaren?
  13. In hoeverre hebben de vele zwart-witfoto’s meerwaarde voor het boek?
  14. Wat is volgens u de verhouding tussen feit en fictie in de roman?
  15. ‘Eigenlijk is alles in deze roman overblijfsel,’ oordeelt Arjen Fortuin (NRC Handelsblad, 29 november 2013). Hoe interpreteert u deze stelling?
  16. ‘Een queeste naar schoonheid’ noemt de jury van de Opzij Literatuurprijs het boek. Hoe denkt u over deze typering? Wat zou uw karakterisering van het boek zijn?

© vragen NBD Biblion.