- Waarom is de ik-figuur zo gedreven om haar klimmaatje Jens op te sporen? Wat vindt u van die gedrevenheid?
- Wat betekent bergklimmen voor de ik-figuur en hoe beoordeelt u dat verlangen?
- Wat is er volgens u met Jens gebeurd? Waarom denkt u dat?
- ‘Uiteindelijk worden alle bergen vlak,’ zegt Jens. Wat bedoelt hij daar volgens u mee?
- Wat is uw mening over het wetenschappelijke stuk Töne der Wasserfälle van de geoloog Albert Heim, over de noten die hij hoort in watervallen?
- In hoeverre schetst de ik-figuur volgens u een betrouwbaar beeld van de geoloog Albert Heim? Hoe kijkt u aan tegen zijn passie?
- ‘Geologie is het oog van de geschiedenis. Het landschap heeft alles gezien,’ leest de ik-figuur bij Heim. Hoe verklaart u deze uitspraak?
- Welke functie hebben de zijpaadjes over de waaghalzerij van Maria Spelterini in de roman volgens u?
- In de roman staan vele natuurbeschrijvingen. Hoe waardeert u ze? Welke heeft u speciaal getroffen en waarom?
- ‘Jens voelde niet langer kwijt’ (p. 246). Hoe interpreteert u deze zin?
- Volgens de achterflap van de roman ontrafelt de ik-figuur via haar onderzoek naar Jens en Heim ‘haar eigen geschiedenis’. Is dat volgens u gelukt? Welk beeld heeft u van haar gekregen?
- De duimsprong is behalve een mix van wetenschap, romankunst en rouwverwerking, ook een mix van autobiografisch reisverslag, historisch onderzoek en historische roman. Hoe heeft u de combinatie van tekstsoorten en genres ervaren?
- In hoeverre hebben de vele zwart-witfoto’s meerwaarde voor het boek?
- Wat is volgens u de verhouding tussen feit en fictie in de roman?
- ‘Eigenlijk is alles in deze roman overblijfsel,’ oordeelt Arjen Fortuin (NRC Handelsblad, 29 november 2013). Hoe interpreteert u deze stelling?
- ‘Een queeste naar schoonheid’ noemt de jury van de Opzij Literatuurprijs het boek. Hoe denkt u over deze typering? Wat zou uw karakterisering van het boek zijn?
© vragen NBD Biblion.