Sander Kollaard

Sander Kollaard (1961) is geboren in Amstelveen en studeerde geschiedenis in Amsterdam. Sinds 2006 woont en werkt hij op het Zweedse platteland, in een voormalige pastorie, samen met zijn vrouw en drie kinderen. Hij debuteerde in Tirade en publiceerde verder in onder andere De Gids, DW B en Passionate Magazine. In 2012 debuteerde hij met de verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde, die bekroond werd met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2014. In 2015 volgde zijn romandebuut, Stadium IV, dat in De Wereld Draait Door werd gekozen tot Boek van de Maand. In 2018 verscheen zijn verhalenbundel Levensberichten en het jaar daarop de roman Uit het leven van een hond waarmee hij in 2020 de laureaat van de Libris Literatuur Prijs werd. In 2021 volgden daarop De Inktaap en de Peter van Straaten Psychologieprijs. In datzelfde jaar verschenen De laatste dag van de koning, zijn verzamelde verhalen en essay en de roman De kleuren van Anna. In 2022 verscheen zijn wandelboekje Lentehonger en in 2025 de apocalyptische roman Einde verhaal.

Zie ook: www.sanderkollaard.nl.
‘Meesterlijke vermenging van feit, fictie en reflectie (…) Een onbetwist cadeau’ – Literair Nederland
‘Levendig, sfeervol en intiem’ – Het Parool
‘Schrijven vanuit het hart, maar met het hoofd, dat levert altijd de mooiste literatuur op’ – Trouw
‘Mooi, helder, bedachtzaam proza, misschien niet zozeer fictief als wel meditatief, zeer nauwkeurig, beeldend werk.’ – Cees Nooteboom

Sherwood Anderson

Sherwood Anderson (1876-1941) werd straatarm geboren, en liet toen hij veertig was zijn gezin en een positie als fabrieksdirecteur in de steek voor het schrijverschap. Het werk Winesburg, Ohio waarmee Anderson in 1919 doorbrak, geldt als het hoogtepunt van zijn oeuvre.

Menno ter Braak

Menno ter Braak (1902-1940) was een van de meest vooraanstaande intellectuelen van zijn tijd. Door zijn zelfstandig essayistisch werk en de inhoud die hij wist te geven aan zijn functie als criticus op het gebied van literatuur, geestesleven, film en toneel, behoort hij tot de prominente cultuurdragers van het Interbellum in Nederland. Hij was niet alleen mede-oprichter en redacteur van het belangrijkste literaire tijdschrift uit de jaren dertig, Forum (1932-1935), maar ook mede-oprichter en bestuurslid van de voornaamste intellectuele groepering die zich buiten het politieke partijwezen om rekenschap gaf van en verzet bood aan de extremistische tijdgeest: het Comité van waakzaamheid van anti-nationaal-socialistische intellectuelen (1936-1939).
Ter Braak had een opleiding als historicus; hij promoveerde in 1928 te Amsterdam cum laude op een proefschrift over de middeleeuwse Duitse keizer Otto III. Tijdens zijn studie was hij van 1924 tot 1925 redacteur van het blad Propria Cures. In 1925 deed hij zijn intrede in de literaire wereld in het mede door zijn vriend H. Marsman uitgegeven tijdschrift De Vrije Bladen. Samen met de cineast Joris Ivens en de critici H. Scholte en L.J. Jordaan richtte hij in 1927 de Nederlandsche Filmliga op, waarin hij opkwam voor de film als zelfstandige kunstuiting. Zijn reputatie als gerespecteerd maar ook zeer gevreesd kunstcriticus verwierf Ter Braak vooral als redacteur van het Haagse dagblad Het Vaderland, een functie die hij van november 1933 tot zijn dood bekleedde. Als oorspronkelijk denker die invloeden van met name Hegel en Nietzsche op geheel eigen wijze verwerkte, deed Ter Braak zich vooral kennen in Het carnaval der burgers (1930), Afscheid van domineesland (1931), Demasqué der schoonheid (1932), Politicus zonder partij (1934) en Van oude en nieuwe christenen (1937). Hij schreef ook twee romans, Hampton Court (1931) en Dr. Dumay verliest… (1933), na in zijn studententijd het genre van het korte verhaal te hebben beoefend. Het Verzameld werk van Menno ter Braak verscheen in zeven delen bij Uitgeverij van Oorschot, 1980 (1949-1951). Eveneens publiceerde Van Oorschot de Briefwisseling 1930-1940 tussen Menno ter Braak en E. du Perron (vier delen. Amsterdam: G.A. van Oorschot 1962-1967).
In 2019 werd het beroemde essay Het nationaal-socialisme als rancuneleer apart heruitgegeven, met een voorwoord van Bas Heijne.
bron: www.mennoterbraak.nl

Levie de Lange

Levie de Lange (1904-1973) was een Nederlandse overlevende van de Holocaust. Hij verloor tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vrouw en vijftien kinderen in Auschwitz. Zijn indringende levensverhaal werd in 1964 opgetekend door Jaap Stigter en in 2011 heruitgegeven onder de titel Het verhaal van mijn leven en nogmaals in 2021 met als titel Vijftien namen.

Maaike Meijer

Maaike Meijer (1949) is hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht. Zij werkte zes jaar aan M. Vasalis. Een biografie en kreeg van de familie toegang tot alle archieven. Ze publiceerde veel over Vasalis en deed eerder onder meer onderzoek naar Nederlandse dichteressen van na de Tweede Wereldoorlog.

J.J. Voskuil

J.J. (Johan Jacob / Han) Voskuil (1926–2008) publiceerde in 1963 de 1207 pagina’s tellende roman Bij nader inzien. Het boek, dat zowel een roman van een generatie als een psychologische roman is, gaat over een groep vrienden, studenten Nederlands in de periode 1946–1953, die een aantal jaren samen optrekken en in de traditie van Du Perron en Ter Braak discussiëren over leven, literatuur en politiek. Aan het eind van de roman moet de hoofdpersoon Maarten Koning, Voskuils alter ego, erkennen dat de vriendschap die er leek te zijn, niet meer dan een illusie was. Bij nader inzien werd in 1991 door Frans Weisz verfilmd voor de VPRO. De serie werd met drie gouden kalveren bekroond.
In 1996 keerden Voskuil en Maarten Koning terug in de kolossale roman Het Bureau die in totaal zeven delen telt: Meneer Beerta, Vuile handen, Plankton, Het A.P. Beerta-Instituut, En ook weemoedigheid, Afgang, De dood van Maarten Koning. De roman beschrijft het leven van Maarten Koning als medewerker van het Bureau: het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Kern van de roman is de vraag hoe mensen die dag in dag uit met elkaar moeten samenwerken zich tot elkaar verhouden.
In 2002 verscheen Requiem voor een vriend, waarin Voskuil voor het eerst zijn alter ego Maarten Koning loslaat. De hoofdpersoon van het boek is niet de schrijver zelf, maar Jan Breugelman. Het boek is een geschiedenis van een vriendschap, die haar oorsprong vindt op de middelbare school, vorm krijgt op de universiteit en in de jaren daarna steeds hechter wordt. In februari 2004 verscheen het eerste deel van de Voettochten: Terloops. Het bevat tien verslagen in dagboekvorm van wandelingen door Frankrijk. Het tweede deel, Buiten schot verscheen in 2005, en het derde en laatste deel, Gaandeweg, is in de zomer van 2006 verschenen. In maart 2007 verscheen Onder andere, een verzameling portretten en herinneringen. Voskuil overleed op 1 mei 2008 na een kort ziekbed. Postuum verschenen zijn romans Binnen de huid en De buurman en de essaybundel Ik ben ik niet, ingeleid door Detlev van Heest.

In het najaar van 2022 verscheen het eerste deel van zijn dagboeken, Bijna een man. Dagboeken 1939-1955, bezorgd door Detlev van Heest en Thomas van Grafhorst. De delen volgden elkaar in rap tempo op en het zevende en laatste deel, Het zwijgen, zal op 1 juli 2026, de 100ste geboortedag van Voskuil, verschijnen. In datzelfde jaar hoopt Voskuils echtgenote, Lousje Voskuil-Haspers, de leeftijd van 100 te bereiken.

Marjoleine de Vos

Marjoleine de Vos (1957) is redacteur en columnist bij NRC Handelsblad. Ze schrijft over kunst, filosofie, literatuur en koken. Sinds haar eerste poëziebundel, Zeehond graag, verscheen in 2000 publiceerde ze verschillende bundels bij Uitgeverij Van Oorschot, die alle zeer goed werden ontvangen. In het voorjaar van 2018 verscheen de succesvolle essaybundel Doe je best, die meerdere malen herdrukt werd. Het wandelessay Je keek te ver, dat verscheen in de reeks Terloops, werd eveneens een succes. Haar laatste dichtbundel is Hoe verschillig (2021). In 2022 verscheen Een dolgelukkig Montessorivarken, ‘het heerlijkste, bestgevulde en aanstekelijkste boek over eten, koken en sprankelende avonden!’ In 2023 kwam En steeds is alles er. Over missen en herinneren uit, het jaar daarop gevolgd door Zo hevig in leven. Over sterfelijkheid. In 2026 verscheen het essay Ik ben hier liever niet alleen. Over verbondenheid.

Belle van Zuylen

Belle van Zuylen (ook bekend onder haar getrouwde naam Madame de Charrière) werd geboren in 1740 als Isabelle Agneta Elisabeth Tuyll van Serooskerken te slot Zuylen aan de Vecht. Ze was de dochter van een invloedrijke adellijke familie en genoot een deel van haar opvoeding in Zwitserland. Terug in Nederland had ze moeite zich aan te passen en kwam ze in conflict met de kerk vanwege haar religieuze twijfels. In 1760 ontmoette ze Constant d’Hermenches met wie ze vijftien jaar lang een intensieve correspondentie onderhield. In 1763 publiceerde ze haar eerste verhaal ‘Le noble’. Een stoet van huwelijkskandidaten trok voorbij maar zij voorzag door een huwelijk zozeer haar vrijheden te verliezen dat zij allen afwees. Ten slotte sloot zij een verstandshuwelijk met de Zwitserse edelman Charles Emanuel de Charrière de Penthaz en verhuisde naar het gehucht Le Colombier onder de rook van Neuchâtel. Daar publiceerde zij vanaf 1784 een grote reeks romans, verhalen, toneelstukken, essays en pamfletten en onderhield zij een levendige correspondentie met de groten van haar tijd. In 1787 ontmoette ze de veel jongere Franse schrijver Benjamin Constant, een tweede belangrijke brievenpartner. Belle van Zuylen overleed in 1805. Tussen 1979 en 1985 verschenen haar Verzamelde werken in het Frans in tien delen dundruk. En laten deze nu nog steeds leverbaar zijn!

A. Koolhaas

Anton Koolhaas (1912–1992) was zowel schrijver als criticus en scenarioschrijver. Zijn vroegste verhalen werden gepubliceerd in de NRC, eind jaren dertig; zijn eerste bundel dierenverhalen, Poging tot instinct, verscheen in 1956. Er volgden talloze bundels en romans, veelal met dieren in de hoofdrol: Er zit geen spek in de val (1958), Vanwege een tere huid (1973; inmiddels ruim 200.000 exemplaren verkocht), De laatste goendroen (1977).

Zijn romans Een pak slaag en De nagel achter het behang werden verfilmd door Bert Haanstra (de laatste onder de titel Dokter Pulder zaait papavers). Op zijn beurt schreef Koolhaas scenario’s voor Haanstra: Bij de beesten af, Alleman en De stem van het water. Jarenlang werkte Koolhaas als docent aan de Amsterdamse Filmacademie, waar hij in 1968 directeur werd. Hij schreef toneelkritieken voor Vrij Nederland.

In 1992 ontving Koolhaas de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre. Toen hem door een journalist telefonisch werd gevraagd naar een reactie zei hij: ‘Ik zit op mijn balkon en steek rotjes af.’

Naast de P.C. Hooftprijs ontving hij voor zijn oeuvre de Constantijn Huygensprijs (1989), de Frans Erensprijs (1989) en de Tollensprijs (1973).

N.S. Ljeskov

Nikolaj Semjonovitsj Ljeskov (1831–1895) was de zoon van een ambtenaar. Na zijn gymnasiumopleiding was hij zelf ook enige tijd ambtenaar, vervolgens maakte hij in dienst van een Engelse zakenman reizen door Zuid-Rusland en het Wolgagebied. In 1861 vestigde hij zich in Petersburg als medewerker aan verschillende kranten en tijdschriften, waarin hij onder het pseudoniem Stebnitski recensies, verhalen en reisschetsen publiceerde. De publicatie van ondermeer een tweetal romans, waarin de ‘nihilisten’ niet onverdeeld gunstig werden voorgesteld, werd hem van linkse zijde zeer kwalijk genomen.
Ljeskovs nuchtere kijk op het volksleven en zijn ironische houding ten aanzien van de ‘populisten’ maakten dat deze hem voor reactionair versleten, terwijl de conservatieven geen weg wisten met zijn originaliteit en gebrek aan eerbied voor de bestaande orde. In 1872 verscheen Het kapittel, dat als een unicum in de Russische literatuur kan worden beschouwd, omdat hier voor het eerst een literair werk geheel aan de geestelijkheid was gewijd.
Tijdens zijn leven werd Ljeskov overschaduwd door zijn illustere tijdgenoten Toergenjev, Dostojevski en Tolstoj, pas in de twintigste eeuw vond hij opnieuw waardering, onder andere bij Gorki. Zijn bekendste verhaal is een drama van liefde en misdaad De lady Macbeth uit het district Mtsensk.

Rutger Kopland

Rutger Kopland (1934-2012) was de schrijversnaam van de psychiater R.H. van den Hoofdakker. Van den Hoofdakker was hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als onderzoeker en behandelaar hield hij zich persoonlijk vooral bezig met de betekenis van de slaap en de biologische klok voor het emotionele leven van zowel gezonde als psychisch gestoorde mensen. Daarbij werkte hij ook als psychotherapeut. Behalve artikelen en hoofdstukken in wetenschappelijke tijdschriften en leerboeken schreef hij ook essays over psychiatrie in de algemene maatschappelijke context. Een aantal van deze stukken werd opgenomen in De mens als speelgoed (1995) en in Twee ambachten (2003).
Als Rutger Kopland publiceerde Van den Hoofdakker veertien gedichtenbundels. Hij debuteerde in 1966 met Onder het vee, zijn meest recente bundel is Toen ik dit zag, die verscheen in het najaar van 2008. Kopland schreef daarnaast literaire essays: Het mechaniek van de ontroering (1995) en Mooi, maar dat is het woord niet (1998). Al jaren behoort Kopland tot de meest gelezen dichters in ons land. Bloemlezingen uit zijn werk verschenen in onder meer in Engeland, Finland, Frankrijk, Ierland, Israel, Italië, Noorwegen, Polen, Zuid-Afrika  en de Verenigde Staten; bundels in het Duits en Italiaans zijn in voorbereiding.
In 1999 en in 2001 ontving Van den Hoofdakker / Kopland eredoctoraten van respectievelijk de Universiteit voor Humanistiek en de Rijksuniversiteit Utrecht, in beide gevallen voor de combinatie van zijn verdiensten op wetenschappelijk en literair gebied. In 1988 ontving de dichter de P.C. Hooftprijs voor zijn oeuvre en de VSB Poëzieprijs 1998 voor zijn bundel Tot het ons loslaat.
In 2006 verschenen zijn Verzamelde gedichten ter markering van zijn veertigjarig dichterschap. Ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag verscheen het boekje met cd Aan het grensland. Geluiden uit het Noorden 2. In 2008 verscheen zijn recentste bundel Toen ik dit zag. Zijn Verzamelde gedichten werden inmiddels vele malen herdrukt

Carl Friedman

Carl Friedman (1952-2020) debuteerde in 1991 met de alom geprezen novelle Tralievader. Hiervan verschenen inmiddels vertalingen in het Duits, Engels, Italiaans, Frans en Spaans. In 1997 werd het boek verfilmd door Danniel Danniel.

In 1993 verscheen de roman Twee koffers vol. Opnieuw volgden vertalingen, in het Duits, Engels, Frans en Russisch, en een verfilming, ditmaal door Jeroen Krabbé onder de titel Left Luggage (1998). Friedmans derde boek, De grauwe minnaar, verscheen in 1996. Deze bundel bestaat uit drie lange verhalen en werd door de Raad voor Cultuur genomineerd voor de Europese literatuurprijs 1997 (Aristeionprijs) en in 1998 voor de Prix des Ambassadeurs, een prijs ingesteld door 25 in Nederland werkzame buitenlandse ambassadeurs. Een Duitse vertaling verscheen in 1997, een Engelse in 1998 en een Italiaanse in 2001.

Carl Friedman schreef columns in Trouw en Vrij Nederland. In november 2001 verscheen een bundeling van deze columns onder de titel Dostojevski’s paraplu. In het najaar van 2004 verscheen een tweede bundeling van haar beste columns: Wie heeft de meeste joden.

Voor haar werk ontving de schrijfster in januari 2004 de E. du Perronprijs 2003 van de Gemeente Tilburg en de letterenfaculteit van de Universiteit van die stad.

In 2021, ruim een jaar na haar overlijden, verscheen haar Verzameld werk, waarin onder meer de bijna voltooide roman Zwemmers in de nacht werd opgenomen, voor alle Friedman-liefhebbers een must read.