Marina Ivanovna Tsvetajeva (1892–1941) geldt zonder twijfel als de meest tragische grote dichtergestalte uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Zij behoorde al vóór de Oktoberrevolutie van 1917 tot de grootsten. In 1922 verliet zij haar vaderland, waar voor haar dichterschap geen plaats meer was. In haar ballingschap leefde zij met haar gezin doorgaans in stuitende armoede. Door haar compromisloze aard werd zij in de Parijse emigrantenkringen meer en meer geschuwd en gebroodroofd, in de Sovjetunie uit de literatuurgeschiedenis verwijderd. In 1939 volgde zij haar man en dochter, die al eerder naar de Sovjetunie waren geremigreerd. In 1941 verhing zij zich in een provinciestadje.
Pas na de destalinisatie in de jaren vijftig werd er weer mondjesmaat iets van haar gepubliceerd. In de emigranten-literatuur was zij al sedert 1939 volkomen vergeten. In een autobiografisch geschrift voorspelde Pasternak dat haar de grootste herwaardering ten deel zou vallen. In Rusland is zij nu de meest gelezen dichter. Haar lyrische nalatenschap alleen al bevat een 1500 gedichten, naast twee forse delen epische werken en versdrama’s en een grote hoeveelheid proza.
Ondanks haar grote roem als dichter is er internationaal verhoudingsgewijs maar weinig van haar vertaald, omdat haar poëzie vrijwel onoverkomelijke eisen aan de vertaler stelt. Zij beheerste alle registers van het Russisch door alle eeuwen heen en creëerde daaruit een hoogst origineel persoonlijk idioom.
A.P. Tsjechov
Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860–1904) werd geboren in Taganrog als zoon van een kruidenier. Hij studeerde medicijnen in Moskou en schreef in die tijd korte komische verhaaltjes, die vanaf 1880 werden gepubliceerd in enkele humoristische tijdschriften. Zijn studie oefende een beslissende invloed uit op de jonge Tsjechov. Hij zag in de wetenschap het werktuig voor de vooruitgang. Zijn artsenpraktijk bracht hem, vooral in de tweede helft van de jaren tachtig, in contact met de menselijke ellende, ziekte en dood, ervaringen die zijn kennis van de menselijke geest verrijkten.
Tsjechov verwierf zijn roem in het laatste decennium van de negentiende eeuw. Hij wordt algemeen beschouwd als de grootmeester van het korte verhaal. Ook ontwikkelde hij zich tot gevierd toneelschrijver. Zijn derde stuk De meeuw oogstte veel succes in de interpretatie van Stanislavski in 1898, gespeeld door het Moskouse Kunsttheater. Zijn volgende stukken Oom Vanja (1899), Drie zusters (1901) en De kersentuin (1904) werden door hetzelfde gezelschap opgevoerd. Zijn toneelstukken worden nog steeds overal ter wereld gespeeld.
Tsjechov is van 1901 tot aan zijn dood getrouwd geweest met de actrice Olga Knipper. Enkele jaren voor zijn dood schiftte hij zijn werk ten behoeve van een uitgave van een Verzameld werk-editie en schrapte daarbij ruim 30%. De rechten verkocht hij aan de uitgever Adolf Marx. Bij die gelegenheid merkte hij op dat hij ‘marxist’ geworden was, een opmerking die zijn goedmoedige ironie ten voeten uit weerspiegelde.
Tsjechovs werk verscheen als eerste in onze Russische Bibliotheek. Tussen 2004 en 2010 verscheen een compleet nieuwe vertaling van zijn verzamelde verhalen (vijf delen).
L.N. Tolstoj
Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828–1910) verloor op jeugdige leeftijd zijn ouders en werd opgevoed door verwanten op het familiedomein Jasnaja Poljana. Na zijn studietijd in Kazan keerde hij daarheen terug. Hij zag in dat de situatie van de boeren afschuwelijk was en trachtte de toestand op zijn eigen domein te verbeteren. In 1854 en 1855 nam hij als officier deel aan de krijgsverrichtingen aan de Donau en in Sebastopol tegen de Turken. Hij was toen al enigszins bekend geworden door het verhaal Kinderjaren uit 1852. Zijn oorlogservaringen vinden hun neerslag in Sewastopol I, II en III.
Eind 1857, begin 1858 maakte Tolstoj een reis naar het Westen waar hij in Parijs Toergenjev ontmoette. Terug op zijn landgoed voelde hij steeds meer de behoefte om de levensomstandigheden van het volk te helpen verbeteren. De verhalen uit deze periode vertonen over het algemeen een sterk moraliserende strekking: Luzern (1857), Albert (1858) en Drie sterfgevallen (1859). In 1862 trouwde Tolstoj met Sofja Behrs en maakte hij een aanvang met zijn grote epische roman Oorlog en vrede. In 1878 verscheen zijn tweede grote roman, Anna Karenina waarmee hij veel succes oogste en zijn naam definitief vestigde. Alles wat hij zei of schreef vond een enorme weerklank.
Het literaire werk van de laatste dertig jaar van zijn leven draagt ontegenzeggelijk het stempel van zijn ideologie, maar zijn talent was zo rijp en diep dat hij nog meesterwerken wist te scheppen zoals de grote novelle De dood van Iwan Iljitsj. De al een kwart eeuw heersende spanningen in zijn gezin, vooral zijn afzien van auteursrecht gaf bij elke publicatie aanleiding tot pijnlijke onenigheden, maakte dat Tolstoj in de winter van 1910 zijn gezin en domein verliet om als boer te gaan leven. Hij stierf kort daarop aan longontsteking.
I.S. Toergenjev
Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818–1883) was van adellijke afkomst en bezat landgoederen bij het dorp Spasskoje. Hij studeerde in Moskou, Petersburg en Berlijn. Onder invloed van Poesjkin en Lermontov begon hij vanaf 1838 gedichten te publiceren. Van 1843 tot 1845 werkte hij als ambtenaar en maakte hij nader kennis met de literaire kringen in Moskou. Vanaf 1847 werkte hij regelmatig mee aan Sovremennik, waarin hij verhalen over het leven van boeren publiceerde en zijn eerste roman Roedin. Vier jaar later verscheen in datzelfde blad een tendentieus artikel over Aan de vooravond, waarop Toergenjev besloot niet meer in het blad te publiceren.
Na het overlijden van zijn moeder in 1850, dertien jaar voordat de slavernij officieel werd afgeschaft, schonk hij onmiddellijk alle ‘huisslaven’ op zijn landgoed de vrijheid, zette de boeren die dit wensten op pacht, werkte mee aan hun uitkoop van die pacht en stond daarbij een vijfde deel af. Toen een zekere Semjon Wengerov, destijds negentien jaar, hem in 1874 per brief op hoge toon vroeg of hij ‘als iemand die zo welsprekend is opgekomen tegen de lijfeigenschap […] de door u geërfde boeren’ had vrijgelaten, antwoordde Toergenjev op 1 juli: ‘Een ander had in mijn plaats wellicht meer gedaan – en sneller; maar ik heb de belofte gedaan de waarheid te zeggen en ik spreek haar, welke zij ook is. Ik hoef niet prat te gaan op haar; maar tot oneer kan zij mij, veronderstel ik, evenmin strekken.’
In 1862 verscheen de roman die Toergenjev zijn grote naam bezorgde: Vaders en zonen. De reacties hierop waren zeer uiteenlopend. Het boek bezorgde hem moeilijkheden met de censuur. Uiteindelijk besloot Toergenjev zich definitief in het Westen te vestigen en keerde hij tot zijn dood slechts af en toe terug naar zijn vaderland. Onder invloed van Schopenhauer en van zijn tragische liefde voor de Franse actrice Pauline Viardot, werd hij steeds pessimistischer. Dit vond vooral z’n weerslag in de roman Rook.
Toergenjev was standvastig in zijn opvattingen en kon zich bijzonder kwaad maken over kwesties die hem onrechtvaardig voorkwamen. Beroemd werd zijn ‘afscheidsbrief’ aan de boeren van Spasskoje, verzonden één jaar voor zijn dood, waarin hij zich erover verheugt dat zij sinds enige tijd minder drinken maar betreurt dat hun kinderen te weinig de school bezoeken: ‘Denken jullie eraan, dat in onze tijd een ongeletterd mens gelijk staat aan een blinde of aan iemand zonder handen.’ Ten slotte kondigt hij aan dat hij hen ‘naar het voorbeeld van vorige jaren’ wederom ‘één bunder bos’ zal schenken. Hij ondertekende zijn brief met ‘Jullie gewezen landheer Iwan Toergenjev’.
William Shakespeare
William Shakespeare, een van de grootste dichters en toneelschrijvers uit de Europese geschiedenis, werd geboren in Stratford-upon-Avon, in 1564. Rond 1588 vertrok hij naar Londen, waar hij acteur werd. Omstreeks 1590 werden zijn eerste toneelstukken gespeeld, die onmiddellijk succes hadden. Spectaculair succes oogstten zijn twee gedichtencycli ‘Venus and Adonis’ en ‘The Rape of Lucrece’ die vele malen werden herdrukt. Zijn Sonnets, vermoedelijk geschreven in de periode 1591–1595, verschenen in 1609, al gold het ongetwijfeld een ongewenste pirateneditie. Pas toen zijn gezelschap in dienst trad van de koning en werd herdoopt in ‘The Kings’s Men’ groeide zijn reputatie als toneelschrijver. Shakespeare overleed in 1616.
In 2025 verscheen een nieuwe, frisse vertaling van Frans van Deursen van Shakespeares sonnetten onder de titel Voor jou en jou alleen.
Vikram Seth
Vikram Seth werd geboren in India in 1952. Hij studeerde filosofie, politicologie en economie in Oxford, en later in Stanford en Nanjing. Hij schreef drie romans: A Suitable Boy (1993), The Golden Gate (1986) (De Golden Gate) en An Equal Music (1999) (Verwante stemmen). Verder publiceerde hij vijf dichtbundels en een reisverslag. Medio 2005 verscheen een nieuw boek van zijn hand waarvan de titel luidt Two lives, in Nederland verschenen onder de titel Twee levens. Het is het levensverhaal van zijn oom Shanti en zijn tante Henny Cairo, een joodse vrouw die ‘Shanti-oom’ begin jaren dertig in Berlijn leerde kennen toen hij daar tandheelkunde studeerde.
Seth’s magnum opus A Suitable Boy verscheen in het voorjaar van 2008 in de vertaling van Christien Jonkheer en Babet Mossel onder de titel De geschikte jongen (ruim 1400 pagina’s dundruk).
J.C. van Schagen
J.C. van Schagen, schrijver en beeldend kunstenaar (1891–1985), studeerde rechten te Utrecht en Amsterdam, promoveerde in 1920 op stellingen op het gebied van de visserij. Van 1918 tot 1924 werkzaam bij de visserij-inspectie te Den Haag en van 1924 tot 1942 in dienst bij de gemeente Rotterdam. Van Schagen debuteerde in 1922 in De Stem met Narrenwijsheid (gepubliceerd in 1925), prozagedichten die een door Spinoza beïnvloed pantheïsme tonen in een merkwaardige vermenging van nuchterheid en hooggestemdheid.
M. Vasalis
M. Vasalis (1909–1998) is de schrijversnaam van M. Droogleever Fortuyn-Leenmans, psychiater. In 1940 debuteerde zij met de novelle Onweer (onderdeel van het boekenweekgeschenk Drie novellen); in hetzelfde jaar verscheen haar bundel Parken en woestijnen bij Uitgeverij Stols, die bekroond werd met de Van der Hoogtprijs. Er volgden nog drie bundels: De vogel Phoenix (1947), Vergezichten en gezichten (1954) en de postuum verschenen bundel De oude kustlijn (2002).
De dichteres ontving voor haar oeuvre de Constantijn Huygensprijs in 1974 en de P.C. Hooftprijs in 1982. Hoewel zij altijd is blijven schrijven, verklaarde zij het uitblijven van nieuwe publicaties na 1954 als volgt: ‘Wat mij in en na de oorlog overkomen is komt hierop neer: een enorme relativering van mijn eigen lot… Ik moest voortdurend tot de conclusie komen dat mijn commentaar volstrekt overbodig was.’ Dit neemt niet weg dat haar werk door steeds nieuwe generaties wordt ontdekt; zij behoort dan ook to de meest gelezen dichters in Nederland.
In 2006 verscheen voor het eerst haar Verzamelde gedichten (deze werden sindsdien vele malen herdrukt) en in 2011 verscheen Maaike Meijers biografie over Vasalis.
Karel van het Reve
Karel van het Reve (1921–1999) was van 1957 tot 1983 hoogleraar Slavische Letterkunde aan de universiteit van Leiden. Hij vertaalde talloze Russische auteurs in het Nederlands en ontving daarvoor de Martinus Nijhoff Prijs. Ook was hij correspondent in Moskou voor Het Parool.
Van het Reve publiceerde twee romans en talloze essays, waaronder Rusland voor beginners (1962), Uren met Henk Broekhuis (1978) en De ondergang van het morgenland (1990). In 1985 verscheen zijn Geschiedenis van de Russische literatuur, een boek dat uitgroeide tot een standaardwerk voor eenieder die geïnteresseerd is in de Russische literatuur. In 1981 ontving Van het Reve de P.C. Hooftprijs. Hij overleed in maart 1999.
Tussen 2008 en 2011 verscheen Van het Reves Verzameld werk in zeven delen dundruk, 6860 bladzijden, op zuurvrij papier, genaaid gebonden met stofomslagen en leeslinten.
In 2015 verscheen een bescheiden keuze uit het werk onder de titel Karel van het Reve voor beginners, in het najaar van 2019 volgde een veel ruimere keuze: Karel van het Reve voor gevorderden. De twee boeken werden in 2023 gecombineerd in een fraaie gebonden uitgave met als titel Karel van het Reve voor beginners en gevorderden.
Voor meer informatie over Karel van het Reve: http://www.karelvanhetreve.nl/
Gerard Reve
Gerard Reve werd in 1923 geboren in Amsterdam. Hij debuteerde in 1946 met de aangrijpende novelle De ondergang van de familie Boslowits in het tijdschrift ‘Criterium’. Zijn in 1947 bij uitgeverij De Bezige Bij verschenen romandebuut De avonden – het enige werk ooit, waarvoor hij de exploitatierechten voor de duur van het auteursrecht zou afstaan – riep sterk uiteenlopende reacties op. Met de novelle Werther Nieland die in 1949 verscheen in Geert van Oorschots reeks ‘De vrije bladen’, begon een langdurige verstandhouding tussen de schrijver en de uitgever, die, compleet met zakelijke en vriendschappelijke breuk én het herstel daarvan, zou duren tot Van Oorschots dood in 1987.
Tijdens zijn huwelijk met de dichteres Hanny Michaelis, van 1948 tot 1959, verbleef Reve met enige regelmaat in Engeland. In 1956 publiceerde hij de rechtstreeks in het Engels geschreven bundel The acrobat and other stories maar voor het overige bevond Reve zich literair in een impasse. Wel maakte hij in die tijd zowel zijn ontwikkeling naar het rooms-katholicisme als naar een openlijke beleving van zijn homoseksualiteit door. In 1957 trad hij toe tot de redactie van het een jaar tevoren door Van Oorschot opgerichte tijdschrift ‘Tirade’. Gaandeweg zijn redacteurschap, dat tien jaar zou duren, kwam zijn productie weer op gang: in 1961 verscheen Tien vrolijke verhalen, in 1963 Vier wintervertellingen, de geautoriseerde vertaling door Michaelis van The acrobat and other stories. Met Op weg naar het einde, de bundeling van zes in ‘Tirade’ voorgepubliceerde ‘reisbrieven’ waarin religie en homoseksualiteit elkaar vinden in het zogenaamde ‘revisme’, brak Reve door naar het grote publiek. ‘Brief uit het huis genaamd “Het Gras”’, opgenomen in het tweede brievenboek, Nader tot U (1966) verwekte een schandaal. Reve werd vervolgd wegens godslastering maar na een slepend proces in 1968 door de Hoge Raad van alle aanklachten vrijgesproken.
In 1969 ontving Reve de P.C.Hooftprijs, Nederlands belangrijkste literaire (toen nog staats-) prijs voor letterkunde. Dat najaar verwekte (het tv-verslag van) een huldiging in de Amsterdamse Heilig Hartkerk opschudding, niet in de laatste plaats omdat hij de kerk arm in arm met zijn toenmalige liefdesvriend Willem van Albada (‘Teigetje’) binnenschreed, waardoor de bijeenkomst tevens de indruk wekte van een kerkelijke huwelijksinzegening. Beide gebeurtenissen in dat jaar symboliseerden zowel de algemene waardering voor zijn schrijverschap als de sterk toegenomen maatschappelijke acceptatie van het verschijnsel homoseksualiteit, waarvan hij zich een voorvechter op de eerste rang had getoond.
Hoewel Reve ook nadien een fijne neus bleef tonen voor publiciteit, trok hij zich niettemin grotendeels daaruit terug. Omstreeks 1970 verbrak hij de zakelijke en vriendschappelijke band met Geert van Oorschot. In diezelfde tijd verwierf hij een lapje grond in een afgelegen vallei in Zuid-Frankrijk en bouwde daar een ‘kazemat’ (echo’s hiervan zijn terug te vinden in Een eigen huis uit 1979). In de vijf volgende jaren veranderde zijn privéleven aanzienlijk; eerst door het aangaan van een ménage à trois met een vriend van Van Albada, Henk van Manen, en na een breuk met deze beiden enkele jaren later het aantreden, in 1975, van Joop Schafthuizen, die zijn levenspartner zou worden en blijven.
Achteraf bezien kan Reves literaire productie tot 1976, door een steeds verdere verfijning en versmalling van het ‘revisme’, vermoedelijk het best worden omschreven als ‘camp’. Hieronder vallen de bij uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gennep verschenen boeken De taal der liefde (1972), Lieve jongens, Het zingend hart (gedichten, 1973), Het lieve leven (1974) en, na een volgende overstap naar uitgeverij Elsevier, Ik had hem lief (1975) en Een circusjongen (1975). Het werk uit deze periode leek een kentering in de waardering te veroorzaken. Reve werd ondermeer een teveel aan in strakgespannen fluwelen broeken gestoken jongemannen verweten, alsook dat hij ‘in herhaling’ verviel, wat hem de tegenwerping ‘Wie moet ik anders herhalen?’ ontlokte.
De onverhulde eerlijkheid in de ‘romans’ Oud en eenzaam (1978) en Moeder en Zoon (1980) wekte echter weer alom bewondering. Dit zal hebben bijgedragen tot de opdracht van de stichting Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek (CPNB) om voor 1981 het Boekenweekgeschenk te schrijven. Het script werd evenwel afgekeurd omdat het te seksueel expliciet werd bevonden. Mede door de ophef die dit veroorzaakte, werd De vierde man als reguliere uitgave een doorslaand succes. Hierop volgden bij Elsevier nog de roman Wolf (1983) en Roomse heisa (1985), een verslag over het bezoek van paus Johannes Pasulus II aan Nederland. Toen bekend werd dat Elsevier zijn literaire activiteiten overhevelde naar een andere uitgeverij waarvan hij niet gediend was, stapte Reve over naar uitgeverij Veen, waar sindsdien op drie uitzonderingen na zijn overige werk zou verschijnen.
In verschillende bewoordingen heeft Reve in de loop der jaren meer dan eens gezegd dat Geert van Oorschot geen man was op wie men kwaad kon blijven. Na een voorzichtig contactherstel tussen beide mannen in 1979 kwam het zelfs tot drie nieuwe uitgaven bij Van Oorschot, Brieven aan Josine M. (1981), Brieven aan Ludo P. (1986) en, in het jaar van Van Oorschots dood, Verzamelde gedichten (1987).
In het begin van de jaren 90 verlieten Reve en Schafthuizen Frankrijk en vestigden zich in België. Reve zou, naast een aantal andere brievenboeken en gelegenheidsuitgaven, nog drie romans publiceren: Bezorgde Ouders (1988), Het boek van violet en dood (1996) en ten slotte Het hijgend hert (1998). In laatstgenoemd jaar werd een aanvang gemaakt met de publicatie van een Verzameld werk-uitgave, die zes delen dundruk zou omvatten. Ten slotte keerde de schrijver, met medeneming van de uitgaverechten op al zijn boeken, terug bij De Bezige Bij, waar hij ooit met De avonden was gedebuteerd. Wel vervulde hij nog een lang door hemzelf en de opvolgers van Geert van Oorschot gekoesterde wens door het sluiten van een overeenkomst voor de uitgave van de integrale briefwisseling tussen Van Oorschot en hemzelf, die de periode 1951–1987 omspant.
De verschijning bij Van Oorschot van dit lijvige boekwerk (ruim 800 bladzijden) op 12 september 2005 zou Reve helaas niet meer bewust meemaken. Omstreeks 2003 kreeg de ziekte van Alzheimer, waarvan de eerste tekenen zich kort tevoren bij hem hadden geopenbaard, hem steeds vaster in haar greep. Liefdevol thuis verzorgd door Schafthuizen zo lang het nog kon, verbleef Reve de laatste anderhalf jaar van zijn leven in een verzorgingstehuis in de buurt van zijn huis, waar Schafthuizen hem iedere dag bezocht.
Zijn dood, op 8 april 2006, en zijn uitvaart een week later, leidden tot een voor kunstenaars ongekende media-aandacht. Gerard Reve is ter aarde besteld op de begraafplaats van de Belgische gemeente Machelen aan de Leie, zijn laatste woonplaats.
A.S. Poesjkin
Aleksandr Sergejewitsj Poesjkin (1799–1837) was van adellijke afkomst en groeide op in een mondaine omgeving. Vanaf zijn twaalfde jaar bezocht hij de pas opgerichte school voor begaafde adellijke jongens in Tsarskoje Selo. De studie bestond vooral uit Russische en Franse literatuur, filosofie en economie. Na zijn schooltijd stortte hij zich in het mondaine leven van Petersburg. De verschijning van het lange gedicht Roeslan en Ljoedmila (1820) maakte hem beroemd. Door de publicatie van een aantal epigrammen, gericht tegen hooggeplaatste personages, en van enkele gedichten waaruit zijn vrijheidsverlangen sprak, werd Poesjkin in mei 1820 naar het zuiden verbannen. In de herfst van 1830 beleefde Poesjkin een van de meest vruchtbare periodes van zijn leven. Hij voltooide zijn roman in verzen Jewgeni Onegin en de vijf Verhalen van wijlen Iwan Petrowitsj Bjelkin.
Tegen het eind van zijn leven werd Poesjkins positie steeds moeilijker. Zich bewust van zijn waarde als dichter verachtte hij de verwaande parvenu’s aan het hof die dongen naar de gunst van de tsaar. Hij werd het mikpunt van lasterpraat en van een vulgaire grap, die de eer van zijn vrouw en zijn waardigheid in opspraak brachten. Tenslotte daagde hij baron d’Anthès, een Franse emigrant, uit tot een duel op het pistool, en stierf aan zijn verwondingen.
E. du Perron
E. (Eduard) du Perron (1899–1940) stamde uit een adellijk Frans geslacht dat generaties lang in Nederlands-Indië gevestigd was. Hij groeide op op Java en verhuisde na de Eerste Wereldoorlog naar Europa, waar hij verbleef in Parijs en Brussel. In 1922 trok Du Perron naar Montmartre waar hij een tamelijk bohémien bestaan leidde en kennismaakte met schilders en schrijvers van dat moment. In 1923 verscheen zijn eerste boek, Manuscrit trouvé dans une poche (1923). In Antwerpen ontmoette hij Paul van Ostaijen, Gaston Burssens en de schilder Willink, en was hij een van de oprichters van het tijdschrift De Driehoek. Hij raakte meer en meer georiënteerd op de Nederlandse literatuur en in 1931 schreef hij het geruchtmakende essay Uren met Dirk Coster. Hij richtte het tijdschrift Forum op, dat door zijn invloed en die van Menno ter Braak toonaangevend werd in de Nederlandse literatuur van voor én na de Tweede Wereldoorlog. In 1932 trouwde hij met Elizabeth de Roos aan wie hij zijn grote roman Het land van herkomst (1935) opdroeg.
Als dichter publiceerde Du Perron verscheidene bundels, waarvan Parlando (1930) de bekendste werd. Zijn poëzie en poëzieopvattingen inspireerden een hele generatie, zoals de hele latere Criterium-groep waaronder Gerard den Brabander, Jac. van Hattum en Ed. Hoornik.
Zie ook de website van het E. du Perron Genootschap.