J.J. Voskuil

J.J. (Johan Jacob / Han) Voskuil (1926–2008) publiceerde in 1963 de 1207 pagina’s tellende roman Bij nader inzien. Het boek, dat zowel een roman van een generatie als een psychologische roman is, gaat over een groep vrienden, studenten Nederlands in de periode 1946–1953, die een aantal jaren samen optrekken en in de traditie van Du Perron en Ter Braak discussiëren over leven, literatuur en politiek. Aan het eind van de roman moet de hoofdpersoon Maarten Koning, Voskuils alter ego, erkennen dat de vriendschap die er leek te zijn, niet meer dan een illusie was. Bij nader inzien werd in 1991 door Frans Weisz verfilmd voor de VPRO. De serie werd met drie gouden kalveren bekroond.
In 1996 keerden Voskuil en Maarten Koning terug in de kolossale roman Het Bureau die in totaal zeven delen telt: Meneer Beerta, Vuile handen, Plankton, Het A.P. Beerta-Instituut, En ook weemoedigheid, Afgang, De dood van Maarten Koning. De roman beschrijft het leven van Maarten Koning als medewerker van het Bureau: het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Kern van de roman is de vraag hoe mensen die dag in dag uit met elkaar moeten samenwerken zich tot elkaar verhouden.
In 2002 verscheen Requiem voor een vriend, waarin Voskuil voor het eerst zijn alter ego Maarten Koning loslaat. De hoofdpersoon van het boek is niet de schrijver zelf, maar Jan Breugelman. Het boek is een geschiedenis van een vriendschap, die haar oorsprong vindt op de middelbare school, vorm krijgt op de universiteit en in de jaren daarna steeds hechter wordt. In februari 2004 verscheen het eerste deel van de Voettochten: Terloops. Het bevat tien verslagen in dagboekvorm van wandelingen door Frankrijk. Het tweede deel, Buiten schot verscheen in 2005, en het derde en laatste deel, Gaandeweg, is in de zomer van 2006 verschenen. In maart 2007 verscheen Onder andere, een verzameling portretten en herinneringen. Voskuil overleed op 1 mei 2008 na een kort ziekbed. Postuum verschenen zijn romans Binnen de huid en De buurman en de essaybundel Ik ben ik niet, ingeleid door Detlev van Heest.

In het najaar van 2022 verscheen het eerste deel van zijn dagboeken, Bijna een man. Dagboeken 1939-1955, bezorgd door Detlev van Heest en Thomas van Grafhorst. De delen volgden elkaar in rap tempo op en het zevende en laatste deel, Het zwijgen, zal op 1 juli 2026, de 100ste geboortedag van Voskuil, verschijnen. In datzelfde jaar hoopt Voskuils echtgenote, Lousje Voskuil-Haspers, de leeftijd van 100 te bereiken.

Belle van Zuylen

Belle van Zuylen (ook bekend onder haar getrouwde naam Madame de Charrière) werd geboren in 1740 als Isabelle Agneta Elisabeth Tuyll van Serooskerken te slot Zuylen aan de Vecht. Ze was de dochter van een invloedrijke adellijke familie en genoot een deel van haar opvoeding in Zwitserland. Terug in Nederland had ze moeite zich aan te passen en kwam ze in conflict met de kerk vanwege haar religieuze twijfels. In 1760 ontmoette ze Constant d’Hermenches met wie ze vijftien jaar lang een intensieve correspondentie onderhield. In 1763 publiceerde ze haar eerste verhaal ‘Le noble’. Een stoet van huwelijkskandidaten trok voorbij maar zij voorzag door een huwelijk zozeer haar vrijheden te verliezen dat zij allen afwees. Ten slotte sloot zij een verstandshuwelijk met de Zwitserse edelman Charles Emanuel de Charrière de Penthaz en verhuisde naar het gehucht Le Colombier onder de rook van Neuchâtel. Daar publiceerde zij vanaf 1784 een grote reeks romans, verhalen, toneelstukken, essays en pamfletten en onderhield zij een levendige correspondentie met de groten van haar tijd. In 1787 ontmoette ze de veel jongere Franse schrijver Benjamin Constant, een tweede belangrijke brievenpartner. Belle van Zuylen overleed in 1805. Tussen 1979 en 1985 verschenen haar Verzamelde werken in het Frans in tien delen dundruk. En laten deze nu nog steeds leverbaar zijn!

William Shakespeare

William Shakespeare, een van de grootste dichters en toneelschrijvers uit de Europese geschiedenis, werd geboren in Stratford-upon-Avon, in 1564. Rond 1588 vertrok hij naar Londen, waar hij acteur werd. Omstreeks 1590 werden zijn eerste toneelstukken gespeeld, die onmiddellijk succes hadden. Spectaculair succes oogstten zijn twee gedichtencycli ‘Venus and Adonis’ en ‘The Rape of Lucrece’ die vele malen werden herdrukt. Zijn Sonnets, vermoedelijk geschreven in de periode 1591–1595, verschenen in 1609, al gold het ongetwijfeld een ongewenste pirateneditie. Pas toen zijn gezelschap in dienst trad van de koning en werd herdoopt in ‘The Kings’s Men’ groeide zijn reputatie als toneelschrijver. Shakespeare overleed in 1616.

In 2025 verscheen een nieuwe, frisse vertaling van Frans van Deursen van Shakespeares sonnetten onder de titel Voor jou en jou alleen.

Vikram Seth

Vikram Seth werd geboren in India in 1952. Hij studeerde filosofie, politicologie en economie in Oxford, en later in Stanford en Nanjing. Hij schreef drie romans: A Suitable Boy (1993), The Golden Gate (1986) (De Golden Gate) en An Equal Music (1999) (Verwante stemmen). Verder publiceerde hij vijf dichtbundels en een reisverslag. Medio 2005 verscheen een nieuw boek van zijn hand waarvan de titel luidt Two lives, in Nederland verschenen onder de titel Twee levens. Het is het levensverhaal van zijn oom Shanti en zijn tante Henny Cairo, een joodse vrouw die ‘Shanti-oom’ begin jaren dertig in Berlijn leerde kennen toen hij daar tandheelkunde studeerde.
Seth’s magnum opus A Suitable Boy verscheen in het voorjaar van 2008 in de vertaling van Christien Jonkheer en Babet Mossel onder de titel De geschikte jongen (ruim 1400 pagina’s dundruk).

Willem Jan Otten

Willem Jan Otten (1951) heeft een veelzijdig oeuvre op zijn naam staan: hij schrijft poëzie, verhalend proza, toneel, kritieken en essays. Hij debuteerde als dichter met de bundel Een zwaluw vol zaagsel (1972); zijn meest recente bundel is Gerichte gedichten, uit 2011. Voor zijn bundel Paviljoenen ontving hij de Jan Campertprijs 1992; Eindaugustuswind werd genomineerd voor de VSB-Poëzieprijs 1999.
Behalve poëzie schreef Otten jarenlang artikelen en beschouwingen, die verschenen in uiteenlopende tijdschriften en was hij van 1989 tot 1996 redacteur van Tirade. Verder was hij een tijdlang als toneel- en muziekcriticus verbonden aan Vrij Nederland. Vanaf zijn bundel Paviljoenen (1991) neemt Ottens literaire productie een hoge vlucht. Binnen enkele jaren verschijnen een essaybundel, twee romans en twee toneelstukken. Door de verschijning van de roman Ons mankeert niets raakte Otten actief betrokken in de discussie over het euthanasie-vraagstuk en schreef hij een bijdrage voor de bundel Als de dood voor het leven. Naar aanleiding van zijn bekering tot het katholieke geloof publiceerde hij in 1999 Het wonder van de losse olifanten, een rede tot de ontwikkelden onder de verachters van de christelijke religie.
Dat de belangstelling voor Ottens werk niet alleen in Nederland aanzienlijk toegenomen is, blijkt uit de Duitse vertalingen die inmiddels van zijn werk verschenen. In 1999 ontving Willem Jan Otten de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre. In 2004 verscheen zijn roman Specht en zoon, die na een warm onthaal in de pers tevens werd bekroond met de Libris Literatuurprijs 2005. De roman werd tevens bekroond met de Inktaap 2006, een prijs die wordt toegekend door middelbareschoolleerlingen uit Nederland en België. Specht en zoon werd inmiddels verkocht aan Italië (Iperborea), Frankrijk (Gallimard), Duitsland (Fischer Verlag) en Zweden (Bonniers).
In het voorjaar van 2006 verscheen Een sneeuw en meer toneel, zijn verzamelde toneelwerken; in november 2006 verscheen de bundeling van zijn bijdragen aan het magazine M van NRC Handelsblad: Waarom komt U ons hinderen, met vierkleurencollages van Marc Mulders. In het najaar van 2008 verscheen zijn dichtbundel Welkom.
In 2009 verscheen zijn essaybundel Onze Lieve Vrouwe van de Schemering, die in 2010 genomineerd werd voor de AKO-literatuurprijs. In 2011 verscheen het lange gedicht De vlek, in 2017 gevolgd door Genadeklap, waarvoor Otten genomineerd werd voor de Grote Poëzieprijs. Zijn romans werden in 2018 gebundeld onder de titel Vier bekentenissen.
In 2021 verscheen het wandelboekje De om (en wandeling rond de Sloterplas in Amsterdam); in 2022, het jaar dat Otten 50 jaar schrijverschap vierde, verschenen Diepe eb (een bescheiden keuze uit zijn gedichten) en het essay Wil je mij poëzie leren. In 2024 verscheen de dichtbundel Septemberzee.

In 2014 werd de P.C. Hooftprijs aan Willem Jan Otten toegekend voor zijn beschouwend proza.

Ester Naomi Perquin

Ester Naomi Perquin (Utrecht, 1980) groeide op in Zierikzee en is inmiddels al weer een hele tijd woonachtig te Rotterdam. Ze werkte enkele jaren als bewaarder in de gevangenis om haar studie aan de Schrijversvakschool in Amsterdam te kunnen betalen. Ze debuteerde in het voorjaar van 2007 met de bundel Servetten halfstok. Voor deze bundel ontving ze de eerste debuutprijs Het Liegend Konijn. Haar tweede bundel, verschenen in 2009, is getiteld Namens de ander. Zij ontving daarvoor onder meer de Anna Blamanprijs, de J.C. Bloemprijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, en de Jo Petersprijs. Haar derde bundel Celinspecties verscheen in april 2012. Voor deze bundel ontving Perquin de VSB Poëzieprijs. In 2014 werden haar columns gebundeld in Binnenkort in dit theater; in 2016 verscheen een verzamelbundel van haar poëzie: Jij bent de verkeerde en alle andere gedichten tot nu toe, in 2017 gevolgd door de bundel Meervoudig afwezig. In 2017-2018 was Perquin de Dichter des Vaderlands.

In 2025 verscheen haar debuutroman Tot alles in beweging komt, dat zeer lovend werd ontvangen en al snel meerdere herdrukken kende.

Zie ook www.esternaomiperquin.nl

E. du Perron

E. (Eduard) du Perron (1899–1940) stamde uit een adellijk Frans geslacht dat generaties lang in Nederlands-Indië gevestigd was. Hij groeide op op Java en verhuisde na de Eerste Wereldoorlog naar Europa, waar hij verbleef in Parijs en Brussel. In 1922 trok Du Perron naar Montmartre waar hij een tamelijk bohémien bestaan leidde en kennismaakte met schilders en schrijvers van dat moment. In 1923 verscheen zijn eerste boek, Manuscrit trouvé dans une poche (1923). In Antwerpen ontmoette hij Paul van Ostaijen, Gaston Burssens en de schilder Willink, en was hij een van de oprichters van het tijdschrift De Driehoek. Hij raakte meer en meer georiënteerd op de Nederlandse literatuur en in 1931 schreef hij het geruchtmakende essay Uren met Dirk Coster. Hij richtte het tijdschrift Forum op, dat door zijn invloed en die van Menno ter Braak toonaangevend werd in de Nederlandse literatuur van voor én na de Tweede Wereldoorlog. In 1932 trouwde hij met Elizabeth de Roos aan wie hij zijn grote roman Het land van herkomst (1935) opdroeg.

Als dichter publiceerde Du Perron verscheidene bundels, waarvan Parlando (1930) de bekendste werd. Zijn poëzie en poëzieopvattingen inspireerden een hele generatie, zoals de hele latere Criterium-groep waaronder Gerard den Brabander, Jac. van Hattum en Ed. Hoornik.

Zie ook de website van het E. du Perron Genootschap.

A.S. Poesjkin

Aleksandr Sergejewitsj Poesjkin (1799–1837) was van adellijke afkomst en groeide op in een mondaine omgeving. Vanaf zijn twaalfde jaar bezocht hij de pas opgerichte school voor begaafde adellijke jongens in Tsarskoje Selo. De studie bestond vooral uit Russische en Franse literatuur, filosofie en economie. Na zijn schooltijd stortte hij zich in het mondaine leven van Petersburg. De verschijning van het lange gedicht Roeslan en Ljoedmila (1820) maakte hem beroemd. Door de publicatie van een aantal epigrammen, gericht tegen hooggeplaatste personages, en van enkele gedichten waaruit zijn vrijheidsverlangen sprak, werd Poesjkin in mei 1820 naar het zuiden verbannen. In de herfst van 1830 beleefde Poesjkin een van de meest vruchtbare periodes van zijn leven. Hij voltooide zijn roman in verzen Jewgeni Onegin en de vijf Verhalen van wijlen Iwan Petrowitsj Bjelkin.
Tegen het eind van zijn leven werd Poesjkins positie steeds moeilijker. Zich bewust van zijn waarde als dichter verachtte hij de verwaande parvenu’s aan het hof die dongen naar de gunst van de tsaar. Hij werd het mikpunt van lasterpraat en van een vulgaire grap, die de eer van zijn vrouw en zijn waardigheid in opspraak brachten. Tenslotte daagde hij baron d’Anthès, een Franse emigrant, uit tot een duel op het pistool, en stierf aan zijn verwondingen.

Gerard Reve

Gerard Reve werd in 1923 geboren in Amsterdam. Hij debuteerde in 1946 met de aangrijpende novelle De ondergang van de familie Boslowits in het tijdschrift ‘Criterium’. Zijn in 1947 bij uitgeverij De Bezige Bij verschenen romandebuut De avonden – het enige werk ooit, waarvoor hij de exploitatierechten voor de duur van het auteursrecht zou afstaan – riep sterk uiteenlopende reacties op. Met de novelle Werther Nieland die in 1949 verscheen in Geert van Oorschots reeks ‘De vrije bladen’, begon een langdurige verstandhouding tussen de schrijver en de uitgever, die, compleet met zakelijke en vriendschappelijke breuk én het herstel daarvan, zou duren tot Van Oorschots dood in 1987.

Tijdens zijn huwelijk met de dichteres Hanny Michaelis, van 1948 tot 1959, verbleef Reve met enige regelmaat in Engeland. In 1956 publiceerde hij de rechtstreeks in het Engels geschreven bundel The acrobat and other stories maar voor het overige bevond Reve zich literair in een impasse. Wel maakte hij in die tijd zowel zijn ontwikkeling naar het rooms-katholicisme als naar een openlijke beleving van zijn homoseksualiteit door. In 1957 trad hij toe tot de redactie van het een jaar tevoren door Van Oorschot opgerichte tijdschrift ‘Tirade’. Gaandeweg zijn redacteurschap, dat tien jaar zou duren, kwam zijn productie weer op gang: in 1961 verscheen Tien vrolijke verhalen, in 1963 Vier wintervertellingen, de geautoriseerde vertaling door Michaelis van The acrobat and other stories. Met Op weg naar het einde, de bundeling van zes in ‘Tirade’ voorgepubliceerde ‘reisbrieven’ waarin religie en homoseksualiteit elkaar vinden in het zogenaamde ‘revisme’, brak Reve door naar het grote publiek. ‘Brief uit het huis genaamd “Het Gras”’, opgenomen in het tweede brievenboek, Nader tot U (1966) verwekte een schandaal. Reve werd vervolgd wegens godslastering maar na een slepend proces in 1968 door de Hoge Raad van alle aanklachten vrijgesproken.

In 1969 ontving Reve de P.C.Hooftprijs, Nederlands belangrijkste literaire (toen nog staats-) prijs voor letterkunde. Dat najaar verwekte (het tv-verslag van) een huldiging in de Amsterdamse Heilig Hartkerk opschudding, niet in de laatste plaats omdat hij de kerk arm in arm met zijn toenmalige liefdesvriend Willem van Albada (‘Teigetje’) binnenschreed, waardoor de bijeenkomst tevens de indruk wekte van een kerkelijke huwelijksinzegening. Beide gebeurtenissen in dat jaar symboliseerden zowel de algemene waardering voor zijn schrijverschap als de sterk toegenomen maatschappelijke acceptatie van het verschijnsel homoseksualiteit, waarvan hij zich een voorvechter op de eerste rang had getoond.

Hoewel Reve ook nadien een fijne neus bleef tonen voor publiciteit, trok hij zich niettemin grotendeels daaruit terug. Omstreeks 1970 verbrak hij de zakelijke en vriendschappelijke band met Geert van Oorschot. In diezelfde tijd verwierf hij een lapje grond in een afgelegen vallei in Zuid-Frankrijk en bouwde daar een ‘kazemat’ (echo’s hiervan zijn terug te vinden in Een eigen huis uit 1979). In de vijf volgende jaren veranderde zijn privéleven aanzienlijk; eerst door het aangaan van een ménage à trois met een vriend van Van Albada, Henk van Manen, en na een breuk met deze beiden enkele jaren later het aantreden, in 1975, van Joop Schafthuizen, die zijn levenspartner zou worden en blijven.

Achteraf bezien kan Reves literaire productie tot 1976, door een steeds verdere verfijning en versmalling van het ‘revisme’, vermoedelijk het best worden omschreven als ‘camp’. Hieronder vallen de bij uitgeverij Athenaeum–Polak & Van Gennep verschenen boeken De taal der liefde (1972), Lieve jongens, Het zingend hart (gedichten, 1973), Het lieve leven (1974) en, na een volgende overstap naar uitgeverij Elsevier, Ik had hem lief (1975) en Een circusjongen (1975). Het werk uit deze periode leek een kentering in de waardering te veroorzaken. Reve werd ondermeer een teveel aan in strakgespannen fluwelen broeken gestoken jongemannen verweten, alsook dat hij ‘in herhaling’ verviel, wat hem de tegenwerping ‘Wie moet ik anders herhalen?’ ontlokte.

De onverhulde eerlijkheid in de ‘romans’ Oud en eenzaam (1978) en Moeder en Zoon (1980) wekte echter weer alom bewondering. Dit zal hebben bijgedragen tot de opdracht van de stichting Collectieve Propaganda voor het Nederlandse Boek (CPNB) om voor 1981 het Boekenweekgeschenk te schrijven. Het script werd evenwel afgekeurd omdat het te seksueel expliciet werd bevonden. Mede door de ophef die dit veroorzaakte, werd De vierde man als reguliere uitgave een doorslaand succes. Hierop volgden bij Elsevier nog de roman Wolf (1983) en Roomse heisa (1985), een verslag over het bezoek van paus Johannes Pasulus II aan Nederland. Toen bekend werd dat Elsevier zijn literaire activiteiten overhevelde naar een andere uitgeverij waarvan hij niet gediend was, stapte Reve over naar uitgeverij Veen, waar sindsdien op drie uitzonderingen na zijn overige werk zou verschijnen.

In verschillende bewoordingen heeft Reve in de loop der jaren meer dan eens gezegd dat Geert van Oorschot geen man was op wie men kwaad kon blijven. Na een voorzichtig contactherstel tussen beide mannen in 1979 kwam het zelfs tot drie nieuwe uitgaven bij Van Oorschot, Brieven aan Josine M. (1981), Brieven aan Ludo P. (1986) en, in het jaar van Van Oorschots dood, Verzamelde gedichten (1987).

In het begin van de jaren 90 verlieten Reve en Schafthuizen Frankrijk en vestigden zich in België. Reve zou, naast een aantal andere brievenboeken en gelegenheidsuitgaven, nog drie romans publiceren: Bezorgde Ouders (1988), Het boek van violet en dood (1996) en ten slotte Het hijgend hert (1998). In laatstgenoemd jaar werd een aanvang gemaakt met de publicatie van een Verzameld werk-uitgave, die zes delen dundruk zou omvatten. Ten slotte keerde de schrijver, met medeneming van de uitgaverechten op al zijn boeken, terug bij De Bezige Bij, waar hij ooit met De avonden was gedebuteerd. Wel vervulde hij nog een lang door hemzelf en de opvolgers van Geert van Oorschot gekoesterde wens door het sluiten van een overeenkomst voor de uitgave van de integrale briefwisseling tussen Van Oorschot en hemzelf, die de periode 1951–1987 omspant.

De verschijning bij Van Oorschot van dit lijvige boekwerk (ruim 800 bladzijden) op 12 september 2005 zou Reve helaas niet meer bewust meemaken. Omstreeks 2003 kreeg de ziekte van Alzheimer, waarvan de eerste tekenen zich kort tevoren bij hem hadden geopenbaard, hem steeds vaster in haar greep. Liefdevol thuis verzorgd door Schafthuizen zo lang het nog kon, verbleef Reve de laatste anderhalf jaar van zijn leven in een verzorgingstehuis in de buurt van zijn huis, waar Schafthuizen hem iedere dag bezocht.

Zijn dood, op 8 april 2006, en zijn uitvaart een week later, leidden tot een voor kunstenaars ongekende media-aandacht. Gerard Reve is ter aarde besteld op de begraafplaats van de Belgische gemeente Machelen aan de Leie, zijn laatste woonplaats.

M.A. Tsvetajeva

Marina Ivanovna Tsvetajeva (1892–1941) geldt zonder twijfel als de meest tragische grote dichtergestalte uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Zij behoorde al vóór de Oktoberrevolutie van 1917 tot de grootsten. In 1922 verliet zij haar vaderland, waar voor haar dichterschap geen plaats meer was. In haar ballingschap leefde zij met haar gezin doorgaans in stuitende armoede. Door haar compromisloze aard werd zij in de Parijse emigrantenkringen meer en meer geschuwd en gebroodroofd, in de Sovjetunie uit de literatuurgeschiedenis verwijderd. In 1939 volgde zij haar man en dochter, die al eerder naar de Sovjetunie waren geremigreerd. In 1941 verhing zij zich in een provinciestadje.
Pas na de destalinisatie in de jaren vijftig werd er weer mondjesmaat iets van haar gepubliceerd. In de emigranten-literatuur was zij al sedert 1939 volkomen vergeten. In een autobiografisch geschrift voorspelde Pasternak dat haar de grootste herwaardering ten deel zou vallen. In Rusland is zij nu de meest gelezen dichter. Haar lyrische nalatenschap alleen al bevat een 1500 gedichten, naast twee forse delen epische werken en versdrama’s en een grote hoeveelheid proza.
Ondanks haar grote roem als dichter is er internationaal verhoudingsgewijs maar weinig van haar vertaald, omdat haar poëzie vrijwel onoverkomelijke eisen aan de vertaler stelt. Zij beheerste alle registers van het Russisch door alle eeuwen heen en creëerde daaruit een hoogst origineel persoonlijk idioom.

Rainer Maria Rilke

Rainer Maria Rilke (1875–1926) werd geboren in Praag, studeerde kunst- en literatuurgeschiedenis en filosofie. Hij geldt als een van de grootste dichters van zijn tijd. Hij verkeerde in kringen van belangrijke kunstenaars en denkers, zoals Paula Modersohn-Becker, Lou Andreas Salomé (met wie hij een verhouding had) en Sigmund Freud.
Als dichter had hij al naam gemaakt met de bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit één van zijn vruchtbaarste periodes, toen hij in Parijs verbleef. Daar raakte hij diep onder de indruk van de beeldhouwer Auguste Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Van zijn latere werk gelden de ‘Duineser Elegien’ en ‘Die Sonette an Orpheus’ als de belangrijkste.

J.C. van Schagen

J.C. van Schagen, schrijver en beeldend kunstenaar (1891–1985), studeerde rechten te Utrecht en Amsterdam, promoveerde in 1920 op stellingen op het gebied van de  visserij. Van 1918 tot 1924 werkzaam bij de visserij-inspectie te Den Haag en van 1924 tot 1942 in dienst bij de gemeente Rotterdam. Van Schagen debuteerde in 1922 in De Stem met Narrenwijsheid (gepubliceerd in 1925), prozagedichten die een door Spinoza beïnvloed pantheïsme tonen in een merkwaardige vermenging van nuchterheid en hooggestemdheid.