Marjoleine de Vos (1957) is redacteur en columnist bij NRC Handelsblad. Ze schrijft over kunst, filosofie, literatuur en koken. Sinds haar eerste poëziebundel, Zeehond graag, verscheen in 2000 publiceerde ze verschillende bundels bij Uitgeverij Van Oorschot, die alle zeer goed werden ontvangen. In het voorjaar van 2018 verscheen de succesvolle essaybundel Doe je best, die meerdere malen herdrukt werd. Het wandelessay Je keek te ver, dat verscheen in de reeks Terloops, werd eveneens een succes. Haar laatste dichtbundel is Hoe verschillig (2021). In 2022 verscheen Een dolgelukkig Montessorivarken, ‘het heerlijkste, bestgevulde en aanstekelijkste boek over eten, koken en sprankelende avonden!’ In 2023 kwam En steeds is alles er. Over missen en herinneren uit, het jaar daarop gevolgd door Zo hevig in leven. Over sterfelijkheid. In 2026 verscheen het essay Ik ben hier liever niet alleen. Over verbondenheid.
Frida Vogels
Frida Vogels (1930-2026) is de auteur van De harde kern. Het boek bestaat uit drie delen. Het eerste deel bevat ‘Kanker’ en ‘De naakte waarheid’, het tweede deel bestaat volledig uit ‘Met zijn drieën’. Het derde en laatste deel bestaat uit gedichten.
In 1994 werd haar de Libris Literatuur Prijs toegekend voor het tweede deel van De harde kern. De schrijfster wilde de prijs niet zelf in ontvangst nemen. Wel achtte ze het gewenst de volgende toelichting te geven: ‘Een schrijver schrijft een boek. Als een uitgever er iets in ziet, wordt het gepubliceerd. Het wordt door litteraire critici besproken en vindt geleidelijk zijn weg naar de lezers voor wie het bestemd is. Eventueel geeft de schrijver, na verloop van tijd, een interview, compleet met portret, om aan de inmiddels ontstane belangstelling voor zijn persoon tegemoet te komen en een eigen mening over zijn werk te geven. Als het werk de schrijver overleeft, geldt wie dan leeft, wie dan zorgt.’
Naast schrijver is Frida Vogels ook vertaler van Italiaanse auteurs als Salvatore Satta, Primo Levi, Giacomo Debenedetti en Cesare Pavese. Ook bezorgde zij Onder het ijs van Bert Weijde, verschenen in 1994.
In mei 2005 verscheen het eerste deel van haar dagboek (Dagboek 1954-1957). In totaal verschenen er elf van de geplande zestien delen dagboeken, maar op verzoek van de auteur werd de publicatie ervan stopgezet.
In 2025 verscheen In den vreemde. Het boek geeft een meeslepende beschrijving van Vogels’ jeugd in Bloemendaal en Laren, bestrijkt de oorlogsjaren met hongertochten naar boerderijen in de nabije omtrek, en voert via Parijs naar Italië, waar ze zich vestigt, eerst in Milaan, later in Bologna. Elk jaar keert ze drie maanden terug naar Amsterdam om rustig te kunnen schrijven. Dit rijke, caleidoscopische boek, dat ook gaat over de Italiaanse familieleden en collega’s van Frida Vogels’ man Ennio, fungeert als waardige sluitsteen van haar oeuvre.
De drie schrijvers, Frida Vogels, J.J. Voskuil en Bert Weijde, hebben niet alleen literaire opvattingen gemeen, maar treden ook als personages op in elkaars boeken. Op verzoek van de uitgeverij heeft Frida Vogels samen met J.J. Voskuil een aantal fragmenten uit persoonlijke brieven van henzelf en van Bert Weijde gekozen, waarin zij zich over elkaars werk uitlaten:
J.J. Voskuil aan Frida Vogels
B. heeft nu die strandwandeling, die hij jou ook voorgelezen heeft, uitgetikt, en nog een wandeling, een nogal lugubere wandeling in het donker over de ringdijk, door het opgespoten land. Vooral dat eerste verhaal is meesterlijk.
Hoewel ik in mentaliteit ver van hem afsta, heb ik hier in Nederland alleen bij hem nog een gevoel van verwantschap. Als we zondagavond laat met de tram naar hem toerijden, het idee dat zijn huis en dat van ons door een door Amsterdam overkoepelde tunnel verbonden zijn, zoals ik dat vroeger had toen we nog studeerden.
Bert Weijde aan Frida Vogels
Het gedicht vind ik mieters. Het wekt de illusie een stroom van gedachten te begeleiden en in te dammen ook. Als je het de eerste keer hebt gelezen, begin je overnieuw maar nu met het beeld van de vlieger voor ogen. Je ziet dan in de verte (nabeeld in de lucht – de laatste regel op het papier) de vlieger stilstaan boven de nerveuze bewegingen. Daarna het verknoopte touw en tenslotte wordt er weer op de vlieger gewezen.
Toen ik de knoop in het touw getekend had, ben ik begonnen te schrijven.
Lousje Voskuil aan Frida Vogels
B. was enthousiast over het boek. Hij bracht het gisteravond terug en kon het vrijwel spellen. Hij had het nergens saai gevonden en absoluut niet benauwend. Hij had alles begrepen zoals het begrepen moest worden en praatte daarover op de hem eigen openhartige manier. De dromen had hij allemaal verklaard en hij had er dingen uitgehaald waar H. niet aan gedacht zou hebben. Hij had verwantschappen met H. ontdekt, die hem veel plezier hadden gedaan. Hij had ook meteen begrepen dat het boek weerstanden wekt en vond het mieters dat het zoveel selectiever is dan Bij nader inzien. ‘Wie dit niet goed vindt, kan de kast op,’ zei hij.
J.J. Voskuil aan Frida Vogels
Ik denk nu over een boek over het Bureau, omdat ik merk dat dat met toch enorm dwars zit. Voorlopig zal het wel bij denken blijven, omdat ik absoluut niet zie hoe ik zo’n vervelend onderwerp vorm kan geven.
Frida Vogels aan J.J. Voskuil
Dat je een boek over het Bureau zou schrijven, heb ik eigenlijk altijd gedacht. Je hebt er 30 jaar lang onvrijwillig een groot deel van je leven gesleten. Hoe gaan mensen in zo’n gedwongen situatie met elkaar om? Niet als mensen, maar volgens de wetten van de situatie, in dit geval het wetenschappelijke bedrijf.
De dikke bundel eigen publicaties die je bij je afscheid aangeboden kreeg, was de bekroning van een wetenschappelijke carrière. Dat al je artikelen zich tégen wie zich groot maakten in de wetenschap keerden, maakte niets uit. Als ze goed waren, en dat moesten ze zijn om vernietigend te zijn, maakten ze je eigen positie elke keer sterker en je kans om mensen te vinden die zich als mensen lieten aanspreken dus kleiner; met als eindresultaat, dat je hebt bijgedragen tot de opwaardering van jouw tak van wetenschap en dat de paar anderen voor wie je een mens meende te zijn ook alleen maar geïnteresseerd bleken in je status. Zo’n schimmenspel wekt wrok, en bij jou de dringende behoefte om je ware gezicht en de gezichten van al die anderen te ontbloten.
J.J. Voskuil aan Frida Vogels
Het gedrag dat jij in je boek beschrijft is voor mij een raadsel en behalve onvoorspelbaar dikwijls irritant. Mijn eerste, emotionele reactie is vaak: kan dat verdomme niet anders?
Het kan dus niet anders. Daar gaat het om, en dat maak je heel duidelijk. Daar begint voor mij ook het gevoel van verwantschap. Ik wil gekend worden zoals ik ben en niet er stiekum tussenuitknijpen met medeneming van zoveel mogelijk geheimen. Die behoefte vind ik bij jou ook.
Frida Vogels aan J.J. Voskuil
Mijn boek gaat tot op het bot zoals geen ander boek dat ik ken en dat is de kracht ervan, maar ik heb alleen mijn eigen rekening opgemaakt en ben aan de anderen niet toegekomen. Het is een asociaal boek (al komen er veel aardige mensen in voor) en dat is het jouwe nu juist niet. Jij houdt duizenden bladzijden lang en en door honderden personages heen vast aan een kriterium van menselijkheid waar je weinig concrete bevestiging voor vindt, en al die mensen zouden je, in een ogenblik van genade, zielsdankbaar moeten zijn voor het werk dat jij aan ze hebt verricht.
J.J. Voskuil aan Frida Vogels
Nu ik Het Bureau af heb, lees ik Rybakov: Stof en As. Wat mij aanspreekt, is de morele maatstaf waaraan hij mensen toetst. De situatie waarin hij zich bevindt, maakt dat hij weinig tijd nodig heeft om te oordelen. Meestal zijn een paar woorden al genoeg. Dat maakt zijn persoonsbeschrijvingen simpel. Niettemin emotioneert hij me hevig op de ogenblikken waarop een van die mensen met gevaar voor eigen leven partij durft kiezen. Het zijn er niet veel, maar ze zijn er. Kennelijk is dat wat ik zoek en het zoeken van die mensen is ook de grondslag van mijn boeken.
Paul Verlaine
Paul Verlaine (1844–1896) heeft het laatste jaar van zijn leven mogen proeven van de roem. In 1894 werd hij uitgeroepen tot Prince des Poètes. Na zijn dood op 51-jarige leeftijd nam zijn populariteit alleen maar toe. Van een bloemlezing, Choix de poésies, die nog bij zijn leven verscheen, waren vijfentwintig jaar later al een kwart miljoen exemplaren verkocht en nog steeds is zijn werk in talrijke uitgaven verkrijgbaar. Vergeleken bij Rimbaud en Mallarmé, zijn tijdgenoten, is Verlaine minder bestudeerd, maar méér gelezen en door zijn lezers in het hart gesloten.
Belle van Zuylen
Belle van Zuylen (ook bekend onder haar getrouwde naam Madame de Charrière) werd geboren in 1740 als Isabelle Agneta Elisabeth Tuyll van Serooskerken te slot Zuylen aan de Vecht. Ze was de dochter van een invloedrijke adellijke familie en genoot een deel van haar opvoeding in Zwitserland. Terug in Nederland had ze moeite zich aan te passen en kwam ze in conflict met de kerk vanwege haar religieuze twijfels. In 1760 ontmoette ze Constant d’Hermenches met wie ze vijftien jaar lang een intensieve correspondentie onderhield. In 1763 publiceerde ze haar eerste verhaal ‘Le noble’. Een stoet van huwelijkskandidaten trok voorbij maar zij voorzag door een huwelijk zozeer haar vrijheden te verliezen dat zij allen afwees. Ten slotte sloot zij een verstandshuwelijk met de Zwitserse edelman Charles Emanuel de Charrière de Penthaz en verhuisde naar het gehucht Le Colombier onder de rook van Neuchâtel. Daar publiceerde zij vanaf 1784 een grote reeks romans, verhalen, toneelstukken, essays en pamfletten en onderhield zij een levendige correspondentie met de groten van haar tijd. In 1787 ontmoette ze de veel jongere Franse schrijver Benjamin Constant, een tweede belangrijke brievenpartner. Belle van Zuylen overleed in 1805. Tussen 1979 en 1985 verschenen haar Verzamelde werken in het Frans in tien delen dundruk. En laten deze nu nog steeds leverbaar zijn!
M.A. Tsvetajeva
Marina Ivanovna Tsvetajeva (1892–1941) geldt zonder twijfel als de meest tragische grote dichtergestalte uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Zij behoorde al vóór de Oktoberrevolutie van 1917 tot de grootsten. In 1922 verliet zij haar vaderland, waar voor haar dichterschap geen plaats meer was. In haar ballingschap leefde zij met haar gezin doorgaans in stuitende armoede. Door haar compromisloze aard werd zij in de Parijse emigrantenkringen meer en meer geschuwd en gebroodroofd, in de Sovjetunie uit de literatuurgeschiedenis verwijderd. In 1939 volgde zij haar man en dochter, die al eerder naar de Sovjetunie waren geremigreerd. In 1941 verhing zij zich in een provinciestadje.
Pas na de destalinisatie in de jaren vijftig werd er weer mondjesmaat iets van haar gepubliceerd. In de emigranten-literatuur was zij al sedert 1939 volkomen vergeten. In een autobiografisch geschrift voorspelde Pasternak dat haar de grootste herwaardering ten deel zou vallen. In Rusland is zij nu de meest gelezen dichter. Haar lyrische nalatenschap alleen al bevat een 1500 gedichten, naast twee forse delen epische werken en versdrama’s en een grote hoeveelheid proza.
Ondanks haar grote roem als dichter is er internationaal verhoudingsgewijs maar weinig van haar vertaald, omdat haar poëzie vrijwel onoverkomelijke eisen aan de vertaler stelt. Zij beheerste alle registers van het Russisch door alle eeuwen heen en creëerde daaruit een hoogst origineel persoonlijk idioom.
A.P. Tsjechov
Anton Pavlovitsj Tsjechov (1860–1904) werd geboren in Taganrog als zoon van een kruidenier. Hij studeerde medicijnen in Moskou en schreef in die tijd korte komische verhaaltjes, die vanaf 1880 werden gepubliceerd in enkele humoristische tijdschriften. Zijn studie oefende een beslissende invloed uit op de jonge Tsjechov. Hij zag in de wetenschap het werktuig voor de vooruitgang. Zijn artsenpraktijk bracht hem, vooral in de tweede helft van de jaren tachtig, in contact met de menselijke ellende, ziekte en dood, ervaringen die zijn kennis van de menselijke geest verrijkten.
Tsjechov verwierf zijn roem in het laatste decennium van de negentiende eeuw. Hij wordt algemeen beschouwd als de grootmeester van het korte verhaal. Ook ontwikkelde hij zich tot gevierd toneelschrijver. Zijn derde stuk De meeuw oogstte veel succes in de interpretatie van Stanislavski in 1898, gespeeld door het Moskouse Kunsttheater. Zijn volgende stukken Oom Vanja (1899), Drie zusters (1901) en De kersentuin (1904) werden door hetzelfde gezelschap opgevoerd. Zijn toneelstukken worden nog steeds overal ter wereld gespeeld.
Tsjechov is van 1901 tot aan zijn dood getrouwd geweest met de actrice Olga Knipper. Enkele jaren voor zijn dood schiftte hij zijn werk ten behoeve van een uitgave van een Verzameld werk-editie en schrapte daarbij ruim 30%. De rechten verkocht hij aan de uitgever Adolf Marx. Bij die gelegenheid merkte hij op dat hij ‘marxist’ geworden was, een opmerking die zijn goedmoedige ironie ten voeten uit weerspiegelde.
Tsjechovs werk verscheen als eerste in onze Russische Bibliotheek. Tussen 2004 en 2010 verscheen een compleet nieuwe vertaling van zijn verzamelde verhalen (vijf delen).
L.N. Tolstoj
Lev Nikolajevitsj Tolstoj (1828–1910) verloor op jeugdige leeftijd zijn ouders en werd opgevoed door verwanten op het familiedomein Jasnaja Poljana. Na zijn studietijd in Kazan keerde hij daarheen terug. Hij zag in dat de situatie van de boeren afschuwelijk was en trachtte de toestand op zijn eigen domein te verbeteren. In 1854 en 1855 nam hij als officier deel aan de krijgsverrichtingen aan de Donau en in Sebastopol tegen de Turken. Hij was toen al enigszins bekend geworden door het verhaal Kinderjaren uit 1852. Zijn oorlogservaringen vinden hun neerslag in Sewastopol I, II en III.
Eind 1857, begin 1858 maakte Tolstoj een reis naar het Westen waar hij in Parijs Toergenjev ontmoette. Terug op zijn landgoed voelde hij steeds meer de behoefte om de levensomstandigheden van het volk te helpen verbeteren. De verhalen uit deze periode vertonen over het algemeen een sterk moraliserende strekking: Luzern (1857), Albert (1858) en Drie sterfgevallen (1859). In 1862 trouwde Tolstoj met Sofja Behrs en maakte hij een aanvang met zijn grote epische roman Oorlog en vrede. In 1878 verscheen zijn tweede grote roman, Anna Karenina waarmee hij veel succes oogste en zijn naam definitief vestigde. Alles wat hij zei of schreef vond een enorme weerklank.
Het literaire werk van de laatste dertig jaar van zijn leven draagt ontegenzeggelijk het stempel van zijn ideologie, maar zijn talent was zo rijp en diep dat hij nog meesterwerken wist te scheppen zoals de grote novelle De dood van Iwan Iljitsj. De al een kwart eeuw heersende spanningen in zijn gezin, vooral zijn afzien van auteursrecht gaf bij elke publicatie aanleiding tot pijnlijke onenigheden, maakte dat Tolstoj in de winter van 1910 zijn gezin en domein verliet om als boer te gaan leven. Hij stierf kort daarop aan longontsteking.
I.S. Toergenjev
Ivan Sergejevitsj Toergenjev (1818–1883) was van adellijke afkomst en bezat landgoederen bij het dorp Spasskoje. Hij studeerde in Moskou, Petersburg en Berlijn. Onder invloed van Poesjkin en Lermontov begon hij vanaf 1838 gedichten te publiceren. Van 1843 tot 1845 werkte hij als ambtenaar en maakte hij nader kennis met de literaire kringen in Moskou. Vanaf 1847 werkte hij regelmatig mee aan Sovremennik, waarin hij verhalen over het leven van boeren publiceerde en zijn eerste roman Roedin. Vier jaar later verscheen in datzelfde blad een tendentieus artikel over Aan de vooravond, waarop Toergenjev besloot niet meer in het blad te publiceren.
Na het overlijden van zijn moeder in 1850, dertien jaar voordat de slavernij officieel werd afgeschaft, schonk hij onmiddellijk alle ‘huisslaven’ op zijn landgoed de vrijheid, zette de boeren die dit wensten op pacht, werkte mee aan hun uitkoop van die pacht en stond daarbij een vijfde deel af. Toen een zekere Semjon Wengerov, destijds negentien jaar, hem in 1874 per brief op hoge toon vroeg of hij ‘als iemand die zo welsprekend is opgekomen tegen de lijfeigenschap […] de door u geërfde boeren’ had vrijgelaten, antwoordde Toergenjev op 1 juli: ‘Een ander had in mijn plaats wellicht meer gedaan – en sneller; maar ik heb de belofte gedaan de waarheid te zeggen en ik spreek haar, welke zij ook is. Ik hoef niet prat te gaan op haar; maar tot oneer kan zij mij, veronderstel ik, evenmin strekken.’
In 1862 verscheen de roman die Toergenjev zijn grote naam bezorgde: Vaders en zonen. De reacties hierop waren zeer uiteenlopend. Het boek bezorgde hem moeilijkheden met de censuur. Uiteindelijk besloot Toergenjev zich definitief in het Westen te vestigen en keerde hij tot zijn dood slechts af en toe terug naar zijn vaderland. Onder invloed van Schopenhauer en van zijn tragische liefde voor de Franse actrice Pauline Viardot, werd hij steeds pessimistischer. Dit vond vooral z’n weerslag in de roman Rook.
Toergenjev was standvastig in zijn opvattingen en kon zich bijzonder kwaad maken over kwesties die hem onrechtvaardig voorkwamen. Beroemd werd zijn ‘afscheidsbrief’ aan de boeren van Spasskoje, verzonden één jaar voor zijn dood, waarin hij zich erover verheugt dat zij sinds enige tijd minder drinken maar betreurt dat hun kinderen te weinig de school bezoeken: ‘Denken jullie eraan, dat in onze tijd een ongeletterd mens gelijk staat aan een blinde of aan iemand zonder handen.’ Ten slotte kondigt hij aan dat hij hen ‘naar het voorbeeld van vorige jaren’ wederom ‘één bunder bos’ zal schenken. Hij ondertekende zijn brief met ‘Jullie gewezen landheer Iwan Toergenjev’.
William Shakespeare
William Shakespeare, een van de grootste dichters en toneelschrijvers uit de Europese geschiedenis, werd geboren in Stratford-upon-Avon, in 1564. Rond 1588 vertrok hij naar Londen, waar hij acteur werd. Omstreeks 1590 werden zijn eerste toneelstukken gespeeld, die onmiddellijk succes hadden. Spectaculair succes oogstten zijn twee gedichtencycli ‘Venus and Adonis’ en ‘The Rape of Lucrece’ die vele malen werden herdrukt. Zijn Sonnets, vermoedelijk geschreven in de periode 1591–1595, verschenen in 1609, al gold het ongetwijfeld een ongewenste pirateneditie. Pas toen zijn gezelschap in dienst trad van de koning en werd herdoopt in ‘The Kings’s Men’ groeide zijn reputatie als toneelschrijver. Shakespeare overleed in 1616.
In 2025 verscheen een nieuwe, frisse vertaling van Frans van Deursen van Shakespeares sonnetten onder de titel Voor jou en jou alleen.
Vikram Seth
Vikram Seth werd geboren in India in 1952. Hij studeerde filosofie, politicologie en economie in Oxford, en later in Stanford en Nanjing. Hij schreef drie romans: A Suitable Boy (1993), The Golden Gate (1986) (De Golden Gate) en An Equal Music (1999) (Verwante stemmen). Verder publiceerde hij vijf dichtbundels en een reisverslag. Medio 2005 verscheen een nieuw boek van zijn hand waarvan de titel luidt Two lives, in Nederland verschenen onder de titel Twee levens. Het is het levensverhaal van zijn oom Shanti en zijn tante Henny Cairo, een joodse vrouw die ‘Shanti-oom’ begin jaren dertig in Berlijn leerde kennen toen hij daar tandheelkunde studeerde.
Seth’s magnum opus A Suitable Boy verscheen in het voorjaar van 2008 in de vertaling van Christien Jonkheer en Babet Mossel onder de titel De geschikte jongen (ruim 1400 pagina’s dundruk).
J.C. van Schagen
J.C. van Schagen, schrijver en beeldend kunstenaar (1891–1985), studeerde rechten te Utrecht en Amsterdam, promoveerde in 1920 op stellingen op het gebied van de visserij. Van 1918 tot 1924 werkzaam bij de visserij-inspectie te Den Haag en van 1924 tot 1942 in dienst bij de gemeente Rotterdam. Van Schagen debuteerde in 1922 in De Stem met Narrenwijsheid (gepubliceerd in 1925), prozagedichten die een door Spinoza beïnvloed pantheïsme tonen in een merkwaardige vermenging van nuchterheid en hooggestemdheid.
Rainer Maria Rilke
Rainer Maria Rilke (1875–1926) werd geboren in Praag, studeerde kunst- en literatuurgeschiedenis en filosofie. Hij geldt als een van de grootste dichters van zijn tijd. Hij verkeerde in kringen van belangrijke kunstenaars en denkers, zoals Paula Modersohn-Becker, Lou Andreas Salomé (met wie hij een verhouding had) en Sigmund Freud.
Als dichter had hij al naam gemaakt met de bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit één van zijn vruchtbaarste periodes, toen hij in Parijs verbleef. Daar raakte hij diep onder de indruk van de beeldhouwer Auguste Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Van zijn latere werk gelden de ‘Duineser Elegien’ en ‘Die Sonette an Orpheus’ als de belangrijkste.