Algemeen arrow Ik heb nooit iets gelezen


Karel van het Reve
Ik heb nooit iets gelezen

ISBN 9789028209954
Paperback, 352 pagina's
€ 18,00

Bestellen

Karel van het Reve (1921–1999) schreef zelden iets zonder dat iemand hem daarom had gevraagd, maar 'fragmenten' schreef hij in eerste instantie voor zichzelf, om een gedachte, een herinnering vast te pinnen voor die weer vervloog. Het is te danken aan K.L. Poll, oprichter en redacteur van Hollands Maandblad, dat zij toch in dat tijdschrift werden gepubliceerd. Een deel ervan nam Van het Reve later als Fragmenten in zijn boeken op.

Voor deze bundel Ik heb nooit iets gelezen en alle andere fragmenten geldt dat de schrijver er zelf het plan voor had, maar aan de uitvoering ervan niet meer is toegekomen. Dat is dus dit boek geworden. Het bevat, op zes vrijwel woordelijke herhalingen na, alle, dat wil zeggen ruim vijfhonderd fragmenten die Van het Reve vanaf 1963 in Hollands Maandblad publiceerde. Bijna de helft ervan verschijnt hier voor het eerst in boekvorm.

Ik heb nooit iets gelezen biedt de lezer als het ware een blik in de werkkamer van de schrijver. In een bonte stoet komt van alles voorbij: Russische dissidenten, opinions chic, wetenschap, kruiswoordraadsels, literatuur en vele andere zaken. Fascinerend is het om te zien hoe Van het Reves ideeën, die later in opzienbarende – vaak tot grote woede van zijn tegenstanders leidende – artikelen werden verwerkt, hier vaak al in een pril stadium aanwezig zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor zijn bezwaren tegen Marx, Freud en Dostojevski en zijn kritiek op de evolutieleer en pseudowetenschappen als de literatuurwetenschap. Ook de periode toen Van het Reve als correspondent van Het Parool in Moskou woonde (zomer 1967 tot zomer 1968) is in de fragmenten duidelijk te herkennen.

Twee fragmenten uit Ik heb nooit iets gelezen:

Op de lagere school werd een keer een meisje dat zich misdragen had in de hoek gezet, waar ze zachtjes ging staan huilen. Ik vertelde aan de jongen naast wie ik in de bank zat, dat dit tafereel mij ontroerde. In welke woorden ik hem dit vertelde weet ik niet meer. Maar nog heel goed weet ik hoe hij reageerde. Hij was het met me eens dat zo'n tafereel iets ontroerends had, vooral, zei hij, als dat meisje onschuldig was aan de overtreding waarvoor zij in de hoek was gezet. Ik brak het gesprek meteen af, want dat was helemaal niet wat ik bedoelde. Met schuldig of onschuldig had dat niets te maken. Dit moet een van de eerste keren geweest zijn dat ik op dat soort onbegrip stuitte. Een zeer irriterend en neerslachtig makend onbegrip, waarbij wat je beweert in vulgarem partem (die uitdrukking bestaat niet, ik maak hem voor deze gelegenheid) wordt uitgelegd.


Ik herinner me dat van een op school gezongen lied de eerste twee regels

Meisjes en knapen, zeg hebt gij 't vernomen:

Heel de natuur trok haar winterkleed uit!

op mij, tien-, twaalfjarige scholier, een uitgesproken erotische indruk maakten. Het is alsof de natuur, haar winterkleed uitgetrokken hebbend, zichzelf aan die meisjes en knapen ten voorbeeld stelt en hen uitnodigt hetzelfde te doen. Die eerste twee zo onschuldig lijkende woorden 'meisjes en knapen' krijgen in het licht van de tweede regel iets losbandigs. Vooral trouwens dat woord 'knapen'. De nabijheid van die meisjes geeft aan dat woord iets onwelvoeglijks.