Gedicht

Over de reeks

Het Nederlandse poëziefonds van Uitgeverij Van Oorschot is befaamd geworden door talloze Verzameld werk-edities, de ‘vignettenreeks’ (1950–1975) en de presentatie van nieuwe dichters die in de loop der tijd doorbraken naar een groot publiek. Een aantal van hen is over leden maar dat hun werk nog springlevend is moge blijken uit de presentatie van een reeks nieuwe en kernachtige bloemlezingen, samengesteld en ingeleid door aansprekende hedendaagse dichters.

2008
J.A. der Mouw Je bent de wolken en je bent de hei
(door Marjoleine de Vos)
J.C. van Schagen Ik ga maar en blijf
(door Ingmar Heytze)

2009
Jan Hanlo Tjielp tjielp
(door Guus Middag)
Chr. J. van Geel Het mooiste leeft in doodsgevaar
(door Willem Jan Otten)
M. Vasalis Op een vlot van helderheid
(door Hagar Peeters)


Deze uitgave kwam tot stand mede dankzij een bijdrage van de Turing Foundation.

Een gedicht per dag

U kunt zich abonneren op een gedicht van J.A.d

èr Mouw op elke werkdag, zolang de bloemlezing strekt.

Bestel

U kunt deze bloemlezing hier bestellen en thuis laten bezorgen.

Pers

Op de website ‘Poezierapport’ verscheen een besprekeing van de bundel.  Klik hier.

Inleiding


door Marjoleine de Vos

Bestaat de wereld ook als ik niet kijk?

Die vraag kunnen we lachend beantwoorden: natúúrlijk! Terwijl je slaapt blijft alles gewoon bestaan, als je bewusteloos bent staat het kopje nog steeds op de tafel, staan de huizen nog recht overeind, de rotswand verrijst nog precies zo boven zee.
Natuurlijk.
Maar hoe wéét je dat. Je kunt het wel zeggen, maar hoe weet je dat de wereld geen product is van je eigen bewustzijn ,,te voorschijn gekoortst door de onbegrijpelijke ziekte, die ik leven noem”? De filosoof J.A. dèr Mouw kwam, na jaren studie en het grondig bestuderen van verschillende filosofen toch steeds weer voor dezelfde muur te staan: al zijn kennis en geleerdheid – en dat was in zijn geval niet weinig, want behalve in de filosofie, had hij zich ook in het sanskriet, de wiskunde, de klassieke talen, de psychologie en de astronomie en nog zo het een en ander op meer dan verdienstelijke wijze verdiept – konden hem toch niet van deze ene angst bevrijden, dat het ‘Ding-an-Sich’ geen realiteit hoefde te zijn, dat alles wat hij waarnam door zijn eigen bewustzijn geproduceerd werd, en dat hij dus alleen was.
Het was voor hem een enorme angst, de ,,angst over de benauwende eenzaamheid van de bewustzijnscel, waarin het spookt, spookt van wereld- en ik-verschijnsel. De radelooze angst!”
Er was geen filosofie die hem helpen kon in het ontzenuwen van deze voorstelling, hoe iedereen ook leefde en praatte alsof alles ‘echt’ was en onafhankelijk van hem bestond. Hij werd gekweld door het besef dat dat niet meer dan een ‘meening’ was en dat hij heel goed de gevangene zou kunnen zijn van zijn eigen bewustzijn.
De enige gevangene. In een totaal leeg universum.
Een dergelijke angst kan bijna niet alleen maar door denken veroorzaakt worden zou je zeggen, het is zó contra-intuïtief deze gedachte, je moet je zo inspannen om de hele tijd te blijven denken dat er zonder jou niets is, dat het solipsisme, zoals deze positie heet, eerder een pose lijkt, een denkoefening dan een gevoelde waarheid. Toch lijkt er reden om Dèr Mouw te geloven. De manier waarop hij over deze overtuiging schrijft, maakt aannemelijk dat hij inderdaad, althans dan toch bij vlagen, doodsbang was, dat hij in de leegte leefde.
Behalve wiskunde en filosofie bestudeerde hij ook, zoals gezegd, het sanskriet, en niet om zichzelfs wille: hij las de Oepanisjaden, de voor-Indische wijsheidsvertellingen. Daar werd een andere kijk op leven en wereld gegeven: niet het denkend subject in zijn spokende bewustzijnscel, maar het Brahman brengt de wereld voort. Het Brahman is zowel buitenwerkelijk (transcendent) als overal in de werkelijkheid (immanent) het brengt alles voort en is alles, het denkt ons en wordt dor ons gedacht. ,,Zoals een klomp zout, in het water geworpen, oplost in het water en er niet weer uitgehaald kan worden, maar waar men grijpt het water zout is, zo is het met dat grote wezen, dat oneindig is, onmetelijk, niets dan intellect” staat in de Oepanisjaden.
Als dat waar zou zijn, zou alles er heel anders uit zien, dan zou de denkende man onderdeel zijn van een geheel, net zo als alles om hem heen. Het wereld-Zelf, het Brahman, zou ook zijn ‘zelf’ omvatten. Van gescheidenheid en eenzaamheid zou geen sprake meer zijn. Van onoplosbare tegenstellingen al evenmin, alles is door en in Brahman. In de Oepanisjaden staat beloftevol:

,,Daarom vindt die dat weet vrede, vrijheid van hartstocht; hij wordt rustig, geduldig, geconcentreerd; hij ziet zijn ‘zelf’in het ‘zelf’, hij ziet alles in het ‘zelf’; (-) vrij van kwaad, vrij van hartstocht, vrij van twijfel wordt hij brahmaan.”

Het moet precies geweest zijn waar Dèr Mouw hartstochtelijk naar verlangde. Maar wie zo streng filosofeert dat hij het bestaan van de wereld en de dingen, dieren en mensen al niet aan kan nemen, omdat daar geen bewijs voor kan zijn, hoe kan zo iemand ooit een nog veel onbewijsbaarder aanwezigheid aannemen die dit alles voortbrengt? En hoe kan iemand zich nog langer filosoof blijven noemen als hij zulke sprongen maakt en een denkend wereldbewustzijn vóóronderstelt, op niks af?
Dèr Mouw was buitensporig intelligent en buitensporig eerlijk. Hij veegde deze vraag niet onder het tapijt maar legde hem integendeel open en bloot op tafel in zijn lange verhandeling Het absoluut Idealisme waarin hij bovendien een andere mystieke filosoof, G.J.P.J. Bolland, de les leest omdat die vanuit de taal de waarheid voor zijn mystieke intuïties wil afleiden. Dat gaat niet, zegt Dèr Mouw streng. Er is geen weg van de kritische redelijkheid naar de mystiek, en wie doet of het wel zo is, houdt zichzelf en anderen voor de gek.
Toch wil de filosoof die stap naar het mystiek-religieuze levensgevoel wel nemen. ,,Het is een wanhopig besluit” schrijft hij, steeds aarzelend nog. Steeds weer beschrijft hij wat de consequenties zijn ,,als ik de existentie van mij onbekende gedachten- en gevoelssferen aanneem”.
Het zijn merkwaardige teksten om te lezen. Het verlangen naar de ervaring van eenheid is niet zo moeilijk na te voelen, zelfs gemakkelijk. Ook de beschrijvingen daarvan komen ons hedendaagse lezers, die de laatste jaren juist weer een opleving ook van de christelijke mystiek hebben meegemaakt, die Eckhart hebben gelezen of Hadewych, en/of die van de dichter C.O. Jellema houden, niet onbekend voor. God is in alles en alles is in God. Het samenvallen met de wereld, de ongescheidenheid, de vrede die uiteindelijk ons deel zouden zijn als we maar ons ‘ik’ zouden loslaten en opgaan zouden in God of het wereld-Zelf of Brahman, die ook opgaat in ons en ons is – we hebben daar wel van gehoord, we hebben dat verlangen misschien zelfs wel meegevoeld.
Maar de vraag is: hoe doe je dat? Ook al kun je heel goed beredeneren wat het je voor voordelen zou brengen, en Dèr Mouw beredeneert dat netjes, en ook wat je los zou moeten laten, in Dèr Mouws geval eigenlijk de hele grondslag van zijn bestaan die rationeel wetenschappelijk was – hoe neem je dan zo’n stap? En sterker nog: ,,zelfs al gelukt het me, dan heb ik (-) toch geen waarborg, dat niet alles vergissing, illusie is.
Toch doe ik den stap.”‘

Johannes Andreas der Mouw, geboren in 1863, classicus, leraar geweest, privéleraar, wiskundige en filosoof, die enige naam gemaakt heeft met zijn filosofische beschouwingen, begint, zonder dat iemand daarvan weet, rond zijn vijftigste gedichten te schrijven, waarvan hij er in 1918 voor het eerst enkele publiceert onder de naam Adwaita, een woord voor ‘tweeheidsloos’, de gescheidenheid te boven. Zijn gedichten worden door tijdgenoten als Frederik van Eeden, met wie hij contact onderhield, enthousiast ontvangen. De uitgave ervan wordt mee verzorgd door een van Dèr Mouws oud-leerlingen, Victor van Vriesland, die ook na de dood van de dichter in 1919 een vurig pleitbezorger voor dit werk zal blijven. En hij niet alleen, de kwaliteit van Dèr Mouws gedichten is eigenlijk onomstreden, in 192.. wijdt Menno ter Braak er een schitterend essay aan, in de jaren tachtig zet Gerrit Komrij zich in voor een herwaardering.
In die gedichten is niet langer de filosoof aan het woord, daarin spreekt de gelovige. De gelovige die verrukt is van zijn ontdekking dat er een goddelijk bewustzijn is dat hem draagt: ,,Je weet: Niets kan mij deren; ik ben Hij”. De gelovige die twijfelt of het geen verzinsels zijn ,,Is ’t misschien een waan,/ wanneer ik denk, ik ben Brahmans profeet -?”, die wanhoopt soms en zich afvraagt wat hij eigenlijk aan dat geloof van hem heeft: ,,mijn blik (-) ziet/smartelijke gescheidenheid alleen” en die beschrijft hoe de toestand was vóór zijn bekering toen hij koordanste in ,,’t cirkus Wetenschap” en hoe moeizaam de bekering is verlopen, met terugvallen ook, en hoe zijn nieuwe inzicht niet zijn eigen verdienste is ,,iets stuurde mijn schommelend evenwicht”. De neerlandicus Lucien Custers scheef dat je Dèr Mouws poëzie eigenlijk wel op kunt vatten als één lang gedicht, waarin ,,alle stadia die in religieuze poëzie door de eeuwen heen zijn terug te vinden” weer aangetroffen worden.
We moeten dus wel concluderen dat het Dèr Mouw ernst was toen hij schreef: Toch doe ik den stap. Hij heeft de stap gedaan.
Die stap was niet alleen een stap de religie in, maar ook een stap de poëzie in, weg van het redeneren en bewijzen, naar het verbeelden en oproepen.
Hoe dat mogelijk is, daarover onthult hij zelf iets in zijn essay Misbruik van mystiek (1916), waarin hij betoogt dat elk filosofisch stelsel uiteindelijk voortkomt uit, soms niet eens bewuste, gevoelens, gewaarwordingen en stemmingen van de filosoof zelf, vaak al uit de heel vroege jeugd. Iets van wat men toen voelde, samen met de invallen van later, die we vooral niet deftig ‘inspiratie’ moeten noemen, wordt tot een ogenschijnlijk objectief systeem gemaakt. Maar dat dergelijke systemen de filosofen op een heel andere manier ter harte gaan dan zo maar een feit dat weerlegd kan worden, verraden ze door hun woede als iemand ze erop aanvalt, zegt Dèr Mouw. Zo schrijft hij over Hegel: ,,Als kind had hij God gekend. Maar dat ging later niet meer op dezelfde manier. Toen voelde hij dat hij ongelukkig zou worden. Om dat te verhinderen vertaalde hij zijn mystisch gevoel, zijn Godsbesef, in zijn dialectisch systeem.”
Hoe weet Dèr Mouw dat allemaal zo precies? Hij ziet dat en hoort dat, schrijft hij, aan de kleinste onzuiverheden in zinswendingen, aan het soort citaten dat gekozen wordt, aan voorbeelden ter verheldering. En hoe komt iemand zo gevoelig voor zulke heel kleine verraderlijkheden? Daarover schrijft hij niet, maar moeilijk te raden is ’t niet: omdat hij bij zichzelf weet dat het zo toegaat. De angst buiten de wereld te staan, zowel als de intuïtie één te zijn met het al, kent hij al van heel vroeger. Hij had dus als kind God gekend en hij voelde dat hij ongelukkig zou worden als hij zou blijven proberen om via een systeem te ontsnappen aan zijn eigen solipsistische gedachteval, want dan ontsnapte hij niet. En dus moest hij nog eerlijker zijn en tegen zichzelf zeggen: mijn on-filosofische overtuiging komt van heel diep en is daarmee niet minder waard dan die van grote filosofen. Sterker nog, die hebben in wezen hetzelfde type ervaring gehad, maar ze zwijgen er liever over. Omdat het dan geen filosofie meer zou zijn.
Zijn stap was: openlijk terug te keren naar wat hij kende van heel vroeger en het te hernemen, zó dat hij nu, als geleerde volwassene, weer kon aannemen wat hij als kind al wist: ,,Nu weet ‘k weer, wat ik altijd al wist:/ Ja, ja, ja, ja: Ik ben het wereld-Zelf.”.
Op een andere manier zou je niet weten hoe het te verklaren: wie kan verstandelijk zo maar besluiten om de stap de religie in te doen en een wereld-Zelf aan te nemen? De overtuiging zat er gewoon nog, maar weggestopt, of weggeredeneerd.
Maar dan hoef je nog geen poëzie te gaan schrijven, zou iemand misschien zeggen. Ik denk: juist wel.
Zonder de poëzie zou die nieuwe levensbeschouwing niet hebben kunnen bestaan. Want dan bleef hij overgeleverd aan het logisch redeneren, aan de filosofische wet die zegt dat je niet zo maar iets mag aannemen, en daar moest hij nu juist van weg. Daarom zijn de ontroerendste gedichten ook die waarin de twijfel wordt bestreden, niet door redenering maar door evocatie.
Bij een brein als dat van Dèr Mouw moet het filosofisch geslepen verstand geregeld een aanval hebben uitgevoerd op heel die mythische voorstellingswereld waarin YÄjñawalkya, een vertellende figuur in de Oepanisjaden, zijn onverbonden wijsheden voordroeg. Dat is een wereld die Dèr Mouw zelf, in een veel geciteerde, verrukkelijke formulering, beschreef als bestaande uit: ,,vaak heel wonderlijk getheologizeer, gemythologizeer, geëtymologizeer, dat soms verdacht lijkt op gekolder” maar van waaruit soms ,,bliksemstralen van een ontzaggelijke pracht” opschieten.
Dat laatste zal wel zo zijn, of zelfs: dat kun je best ook zien en navoelen, maar daarmee kan je nog niet steeds maar met overtuiging blijven voelen: ik ben Brahman. En daardoor ‘vreesloos’ worden. Zulke inzichten hebben de eigenaardigheid dat ze er wel zijn, soms, maar ook weer weggaan. En dat je jezelf er steeds opnieuw van moet overtuigen.
Kerken hebben daar de zondagse vieringen op gevonden. Dèr Mouw vond er, veronderstel ik, de poëzie op. Daarin kon hij zichzelf steeds weer voorhouden hoe het zat, hoe hij het zag, steeds weer lyrisch zijn overtuiging uitzingen en hem daarmee ook hébben, bestendigen, bevestigen. Zonder poëzie, in alleen maar artikelen als het genoemde Misbruik van mystiek, hoe geestig, lenig en overtuigend geschreven ook, zou hij het niet volgehouden hebben.
Wie een gedicht schrijft laat niet alleen de lezer iets zien, maar ook, vooral, zichzelf. Die kan het gevoel hebben in contact te staan met wat hem diep beweegt, niet verstoord door allerlei verplichte denkfiguren, hooguit door de taal die een gebrekkige vertaling is, maar die, zeker in poëzie, toch heel veel vermag op te roepen. Ervaringen die de neiging hebben om vluchtig te zijn, het zelfs amper tot ervaring te brengen, worden vastgehouden in bewoordingen als ,,ik freewheel over licht” in een gedicht dat een fietsritje beschrijft door een laan, richting zonsondergang. Fietser en fiets worden opgenomen in het geweldige oranje licht van de zon, die aan het einde van de laan staat ,,om me op te vangen”. De fietser fietst niet meer maar vliegt ,,in vreemd verlangen naar iets – onzegbaar, tijdloos: liefde-en-dood”.
Zo’n sensatie op te gaan in de wereld, in de tijd, in het Al, hoeft maar heel vluchtig te zijn, maar vastgelegd in een gedicht wordt ze een lyrische bevestiging van een overtuiging, een diep gevoelde, vormgegeven ervaring die zich niet laat wegredeneren: het gedicht bestaat immers.
Toch is het leven soms sterker dan het nieuwe inzicht, dat is heel gewoon. Niemand, tenzij hij godsdienstwaanzinnig is geworden, zit de hele dag te stralen van Gods licht. De dichter Adwaita is ook daarom nog steeds zo’n aantrekkelijke dichter, omdat hij zich nooit aanstelt en ongelooflijk eerlijk weet te zijn, vergelijkbaar met Montaigne in zijn essays. De geleerdheid dient niet als een gordijn om van alles achter weg te moffelen, maar als hulp van het verstand om eigen gemoedsbewegingen en drijfveren genadeloos onder de loep te nemen. Daarbij heeft Dèr Mouw zijn geestigheid, zijn vermogen tot zelfrelativering en zijn fijne, vrije taal. Een religieuze ervaring kan gemakkelijk heel plechtstatig worden verwoord, maar ’t kan ook zo:

Het hele landschap heeft de zon vertaald;
’t aardappelveld in niet hoog artistiek,
maar deeglijk proza

De prozaïsche aardappelen staan in het gedicht naast ,,de paarse ernst van groene rooie-kool” en tragische populieren, allemaal om tot deze slotregels te komen:

Uit de onvertaalbare ontzaglijke daalt
één lof op ’t literaire mozaïek.

Het is geestig en ernstig, het gaat over ‘de onvertaalbare ontzaglijke’ en over kunst, poëzie in dit geval. Dèr Mouw is een bewuste dichter die vindt dat kunst, poëzie een manier is om iets uit te drukken van de waarheid: ,,zink door mijn schijn in ’t Wezen en word vrij” zegt een schilderij. De kunst maakt duidelijk dat je door haar heen ”t Wezen’ vinden kan. In de werkelijkheid is het vaak minder duidelijk dat Brahman achter en in dit alles zit. Daarom heeft de dichter de pest aan kunst die, zoals panorama-schilderijen doen, net wil doen alsof ze de werkelijkheid ís, dan spreekt hij van ,,sluwe en spokige misleiding” en prijst de alledaagse herrie op straat, die tenminste eerlijk is, waar ,,rumoerig klikkend, knallend, klinglend, snerpend,/ het leven rent en motort, fietst en tramt.”
In dergelijke tegenstellingen, het schilderij dat over Wezen en ‘kosmisch Zelfgevoel’ spreekt en het fietsende en bellende leven, zit ook iets geestigs. Het is een geestigheid die vaak in Dèr Mouws gedichten wordt aangetroffen, neem zijn beroemdste regel ,,’k Ben Brahman. Maar we zitten zonder meid.” Hetzelfde type grappige effect kun je ook bij de al eveneens in oosterse mystiek ondergedompelde dichter Hendrik van Teylingen aantreffen, het komt voort uit het levensgevoel van de brahmaan: er bestaan als het ware geen hogere en lagere dingen. ,,Denkt iemand, die dit met afgrijzen leest:/ hoe onharmonisch!” dan heeft die iemand pech: ook de lagere aandriften (,,stompzinnig ergens in de Nes/ met dronken prolen slaan de boel kapot”) horen erbij en mogen meedoen: in Brahman is alles.
Tegelijkertijd komt een regel als die over het ‘zonder meid’ zitten, voort uit het inzicht dat iedereen met een (behoefte aan) een bevrijdende levensovertuiging wel eens ten deel zal vallen: dat het allemaal mooi is, die goddelijke hoogte, maar dat er evenzogoed wc’s schoongemaakt moeten worden. Of, erger, dat dat hele onaangedane wereld-Zelf het heen en weer kan krijgen, want dat je tóch verdriet hebt om iets van deze wereld. Laat die wereld schijn zijn, ’t is een schijn waarmee je te leven hebt. Of zoals Dèr Mouw, versomberd, dicht:

’t Leed- en veranderingloze – baat het mij
die lijdt in wereld van verandering?

Toch eindigt dat gedicht weer in overtuiging:

Tot ‘k op uw zee, bevrijd weer, ademhaal,
Gangâ van YÄjñawalkya’s stat’ge taal.

Daar zie je weer dat het óók de poëzie is, met haar muzikale middelen, die de levensovertuiging mogelijk maakt: de ‘stat’ge taal’ staat in een breed, statig metrum met allemaal lange beklemtoonde lettergrepen, als grote golven die de dichter, en de lezer, dragen en bevrijden, letterlijk adem geven.
Het is verbluffend hoe technisch knap deze gedichten zijn. Dèr Mouw heeft immers als dichter geen kindheid gekend, hij kwam in één keer als een vlinder uit zijn pop, een beeld dat hij zelf ook gebruikt voor zijn nieuwe levensfase. Zijn gedichten zijn niet te verdelen in jeugd- en ouderdomsverzen, de zeven of zes jaar die hem als dichter gegeven zijn geweest voor zijn vroege dood op 56-jarige leeftijd, waren daarvoor te kort. Hij lijkt geen aanloop nodig te hebben gehad, maar in één keer geweten te hebben hoe dat moest, een gedicht schrijven. Alsof zijn ‘aeroplaan van kunst’, precies zoals hij het in een gedicht schrijft, al lang klaar stond: ,,’k Wist dat ik ’t kon”.
Het is of zijn poëzie alleen maar oogst kent, geen zaaien en maaien en laat ik deze vergelijking verder niet uitwerken, maar alleen maar optasting van schatten. Alles moest erin en kwám erin, aan overtuiging, twijfel, stemming, muziek, beeld, taal, inzicht.
Stemmingen en gevoelens, onberedeneerde waarheid, al die belangrijke bewegingen in ons die geen plaats hebben in de wereld van de wetenschap, vinden een plaats in gedichten. De intuïties die in muziek, religie of hier in poëzie uitgedrukt worden, vat Dèr Mouw niet op als inlichtingen over hoe de wereld in elkaar zit, ,,maar als vertalingen uit het mystiek gevoel”. Daarvan moet niet, al doordenkend, een officiële wereldbeschouwelijke filosofie gemaakt worden, die we dan vervolgens beter gaan vinden dan de op vergelijkbare wijze tot stand gekomen inzichten van iemand anders. Dan zijn we weer in het circus wetenschap aan het koordansen. Wat wel moet is proberen terug te komen bij ,,de stemming, waaruit ze opkwamen”. Dèr Mouw gelooft in stemmingsverwantschap, en dat lijkt, als je beseft hoe verschillende mensen, eeuwenlang, door dezelfde muziekstukken of religieuze verhalen getroffen zijn, helemaal zo’n slecht geloof niet. Het zal ook niet voor niets zijn, dat hij in een gedicht waarin hij naast zich op de vaart schaatsenrijders hoort, en het hem is alsof hij zelf op schaatsen staat, hoopt dat de lezer van zijn verzen, ,,de wind die mij droeg, zelf hoort waaien,/ en ’t fijne slieren en ’t heerlijk brede zwaaien/ voelt van zijn eigen stemming in mijn taal”.
‘Zijn eigen stemming’: niet zijn toevallige humeur, maar dat wat hem uit de diepte bereikte, wat hij wist, al heel vroeg, uit de ,,ondergrondse gemeenschap tussen de individuën”.
Het is daarom evenmin voor niets lijkt me, dat hij de lezers soms aanspreekt en ze gewoonweg, ontwapenend simpel, vraagt: ,,Kent iemand dat gevoel”. Dan beschrijft hij, nee, evoceert hij hoe dat gevoel is. Door zijn gedicht ken je dat gevoel, waar je zelf misschien nooit écht bij stil had gestaan, maar dat ergens in je aanwezig was en nu bestendigt wordt. Je hoopt, alweer dankzij het gedicht, te kunnen herhalen, zo nu en dan, dat ,,tot zekerheid je twijfel opgeheven” is. Zolang je het zegt, zolang je leest, zolang de dichter in je dicht, ís dat ook zo en weet je dat het waar is wat Dèr Mouw schrijft:

je bent de wolken en je bent de hei.
.