Jij ben de verkeerde

Jij bent de verkeerde altijd geweest
en je bent het, ontegenzeglijk, nog steeds.

Van liefde hou ik niet, dat heb ik nooit gedaan.
Ik ben bij je gebleven omdat ik dit zo zeker weet.

Het staren in de ogen van de ander, de oninwisselbare,
die altijd iets doen moet, weg moet, bewegen.

Met jou heb ik vanaf de eerste dag geweten
dat het niet zou gaan, dat het na een avond of wat
goedbedoelde gesprekken, gedoe bij volle maan
wel op zou houden. Dat deed het ook.

(Het hield op, het blijft maar ophouden, dagelijks
minder gevaarlijk, onverschilliger, taaier.)

De ander, dat wil zeggen: Parijs, het echte leven,
de mensen in reclames, de nachten en de hel.

Misschien hou ik van je, zolang ik dit
nog onvervreemdbaar meen, dit
te allen tijde veilig stel.

Uit: Ester Naomi Perquin, Namens de ander

Risico’s

Onze gebruikelijke kamer. Geheel volgens afspraak richten de muren
zich op. Het raam ontvouwt, compleet

met gesloten gordijnen. Dit zou het begin van de nacht kunnen zijn
of het eind van de dag. Vormvast schemerdonker,

wat grappen over daglicht dat minder en minder verdraagt. De geur
van hout en overrijpe mandarijnen.

Kijk, daar komen de kastjes tevoorschijn, het tweepersoonsbed
tekent zich af met de lakens en dekens,

de sprei met de vlek ligt precies waar hij lag. Eenmaal beneden
hernemen we onze gezichten, schuiven we aan

en het uitzicht vult de kozijnen: landerijen, drie wankele bomen.
We weten allang wat we nu zullen nemen:

het voorgerecht dat steevast tegenvalt, de biefstuk en de appeltaart.
We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels

iets beters betalen. Het regent hier de meeste dagen van het jaar.
Het grootste gevaar dekt ons toe

met dezelfde plek, dezelfde kamer. We wagen ons gewoontes in,
hebben ons lief. We herhalen.

Uit: Ester Naomi Perquin, Namens de ander

Repeterende breuk

Waar ik ook ben, soms ben ik ineens weer
bij de Belgische grens, aan het liften naar Frankrijk.
De weg is de hoofdweg, maar lijkt op een zijweg,
één, twee, drie huizen staan braaf in hun tuinen.
In de bocht wuift een boomgroep. Het is doodstil.
Ik wacht op haar. Drie vogels landen.
In de heggen beweegt zich een ruisende wind.
Overkomst dringend gewenst.

Uit: J.A. Emmens Gedichten en aforismen

Benoemen

Wie zegt: de koning woont in het huis naast de boom,
heeft al te veel benoemd: een onomschreven wezen
bijvoorbeeld tot een koning, een hoop stenen
tot huis en een veelzijdig fenomeen
tot boom. Exacter lijkt mij:
een bleke heer geroepen te regeren huist
in een hardstenen doos neergezet
naast een verrukkelijk verschijnsel.

Uit: J.A. Emmens Gedichten en aforismen

Meisje

Op het gezicht van dit meisje trof ik
mijzelf met verbazing aan
in een verouderd lichaam, achter tralies
van rimpels, in een mist van zorg.
Zij was niet mooi, wat men daar ook
soms onder mag verstaan, alleen verlegen
met haar toekomst, mij reeds welbekend.

Uit: J.A. Emmens, Gedichten en aforismen

Winter

Ik hak een bestaan in de volgende dag:
de toekomst brokkelt langzaam af,
vandaag is niet meer dan een wak in de tijd,
het verleden is dichtgevroren.

Uit J. A. Emmens, Gedichten en aforismen

Oosterse wijsheid

Barend komt thuis, na zich als een beer
te hebben geweerd in bordelen van Bombay.
Aardige wijven, zegt hij, zo vrolijk, ze dansen,
doen alles wat je maar wilt,
maar India gaat naar de bliksem:
de boeren denken alleen aan zichzelf.

Uit J. A. Emmens: Gedichten en aforismen

Zo meen ik dat ook jij bent

zoals de koelte ’s nachts langs lelies
en langs rozen
als wit koraal en parels diep in zee
zoals wat schoon is rustig schuilt
maar straalt wanneer ik schouwen wil
zo meen ik dat ook jij bent

als melk
als leem
en ’t bleke rood van vaal gesteent
of porselein
zoals wat ver is en gering
en lang vergeten voor het oud is

zoals een waskaars en een koekoek
en een oud boek en een glimlach
en wat onverwacht en zacht is en het eerste
en wat schuchter en verlangend en vrijgevig
gaaf maar broos is
zo meen ik dat ook jij bent

Uit: Jan Hanlo, Verzamelde gedichten

Hond met bijnaam Knak

God, zegen Knak
Hij is nu dood
Zijn tong, verhemelte, was rood
Toen was het wit
Toen was hij dood
God, zegen Knak

Hij was een hond
Zijn naam was Knak
Maar in zijn hondenlichaam stak
Een beste ziel
Een verre tak
Een oud verbond
God, zegen Knak

Uit: Jan Hanlo, Verzamelde gedichten

Waarover zal ik zingen

Waarover zal ik zingen
over regenjassen over het lover van geboomte
of zal ik van de liefde zingen

Waarover zal ik zingen over vliegmachines
blinkend aluminium in de zon en blauwe lucht
of zal ik zingen over de liefde

Over auto’s over steden en historie
of zal ik zingen over de liefde

Over vele vreemde dingen
over de gewone
of zal ik zingen over de liefde

Over bloemen over water
over mooie dingen of wat droevig is
of zal ik zingen over de liefde

Over tabak en vriendschap
over geur en wijn
over schepen zeilen meeuwen over ellende
over de ouderdom over de jeugd
of zal ik over de liefde zingen

Uit: Jan Hanlo, Verzamelde gedichten

Monument

Al ligt hij er nu onwaarschijnlijk bij, ontvallen
aan een mij onbekende gang
van zaken, naar ik aanneem van belang,
hij heeft bestaan, was graaf zelfs, droeg een harnas
en werd door sommigen zo groot gevonden
dat hij een rustplaats kreeg, gedragen
door deugden die hij niet bezat
en trouwens nooit bestonden.

Uit: J. A. Emmens, Gedichten en aforismen

Geestelijke

Zijn leven is gebed en mis geworden.
In ’t duister van de kerk schrikt hij nog zelden
terug tot achter deze vrome orde.
’t Verleden rinkelt soms in altaarschellen.

God is verneveld tot een log geheel
van plichten en ’t verzaken van die plichten,
tot overvloed van heiligengezichten,
nog steeds te weinig en allang te veel.

Er is een honger die zichzelf niet kent,
een moeheid die tevredenheid voorwendt.
Soms denkt hij aan het leven na dit leven

als aan een ziekte die nooit zal genezen.
Hij heeft zijn handen naar het crucifix geheven,
maar Jezus aan het kruis kan niet zo eenzaam wezen.

Uit: Adriaan Morriën, Zoals een ster verstand heeft van het licht