De vlek

De vlek van Willem Jan Otten is een muzikale vertelling over twee levens die in de war worden geschopt door een medische fout. De saxofonist Abe Kans hoort dat hij een enorme vlek op zijn longen heeft. Terwijl de Braziliaanse priester Josephsson verneemt dat zijn longen brandschoon zijn… De vlek is een nieuw hoogtepunt in het oeuvre van Willem Jan Otten. Behalve te lezen is het boek ook te beluisteren; bij het boek zit een CD met daarop het door de schrijver voorgelezen verhaal.

De vlek kreeg al twee lovende besprekingen in de media; Sebastiaan Kort in NRC Handelsblad: ‘In het beklemmende De vlek eert een uitermate begaafd schrijver niet alleen zijn helden […], hij laat vooral zien hoe broos een particuliere levensfilosofie kan zijn wanneer het noodlot toeslaat.’ Kort schrijft verder over ‘magnifieke pagina’s’.

En Dries Muus aan het slot van zijn enthousiaste bespreking in HP/De Tijd: ‘De vlek is geschreven met de nauwkeurigheid en de flow van het betere gedicht, en je leest het in het tempo van de betere roman. Als je genres wilt combineren, is dit de manier om het te doen.’

Gerichte gedichten van Willem Jan Otten genomineerd voor VSB Poëzieprijs

De jury van de VSB Poëzieprijs 2012 heeft de dichtbundels van Willem Jan Otten, Peter Ghyssaert, Jan Lauwereyns, Erik Spinoy en Anne Vegter genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2012. De VSB Poëzieprijs bekroont jaarlijks de beste Nederlandstalige dichtbundel met een geldbedrag van € 25.000,-.

Willem Jan Otten schreef, zo meldt de jury, met Gerichte gedichten een niet te negeren bundel met confronterende gedichten, bijzonder vanwege de opvallende combinatie van beheerste zinnen, onverwachte neologismen en terloops ogende, korte notities waarin verlies, leegte en onontkoombare bestaansvragen indringend aan de orde worden gesteld.

De jury, bestaande uit Astrid Lampe, Ton Naaijkens, Ester Naomi Perquin, Hans Vandevoorde en juryvoorzitter Kathleen Ferrier, selecteerde de nominaties uit 122 ingezonden dichtbundels die tussen 1 september 2010 en 31 augustus 2011 verschenen.

De uitreiking van de VSB Poëzieprijs 2012 vindt plaats op 25 januari a.s., de vooravond van Gedichtendag.

Rite du Cinema met Willem Jan Otten

De Balie presenteert i.s.m. Trouw de gloednieuwe serie Rite du Cinema, waarvoor auteur Willem Jan Otten 10 films die een leven veranderen heeft geselecteerd. Maandelijks leidt Otten de film in, en gaat hij na afloop van de vertoning in gesprek met een gast. Tevens bespreekt Otten in de week voorafgaand aan de avond zijn keuzefilm in Trouw

Maandag 26 september ging de reeks van start met Dead Man Walking, de controversiële film uit 1995 waarin de non Helen Prejean (Susan Serandon) de veroordeelde verkrachter Matthew Poncelet (Sean Penn) geestelijk bijstaat.

Zie ook de website van De Balie.

 

Bahamontes’ hemelvaart

Kwam de klimmer
Bahamontes
tot de haarspeld
aangeklommen
rolt de klimmer
Bahamontes
van zijn zadel
rolt hij af op
het ravijn stelt
hij ineens
de vraag is dit
hier eigenlijk
parcours kan dit
niet even goed
de Straatweg zijn
met wat voor waar-
borg ben ik ooit
op weg gegaan
het duurt nog maar
een tel dan ben ik
zaliger
zal ik dan van
mijn levensdag
nooit weten of
zij boven voor
mij klaar staat de
Huez met haar
massages en haar flesjes en haar
veel te strakke
tricots och och
fluitend ben ik
zonder waarborg
weggegaan ach
waarom ben ik
na een uurtje
niet gekeerd terug
naar het koele
klaterende
dal het mossig
pleintje met de
parasollen
sorbets ice-tea
want daar was daar
moet daar is
geweest een iemand
die mij vasthield
bij mijn zadel
mij het zetje
gaf dat moet
er was een laatste
duw hij gaf de
laatste die de
eerste was ik
keek niet om maar
zag wel in de
ooghoekbocht dat
in de wirwar
van de start een
rug de massa in verdween ik
was op weg ik
vraag waarom was
ik op weg wat
wist ik van de
aankomst als ik
aan kwam en wat
kan ik weten
van de aankomst
zonder aankomst
zonder iemand
zonder ja de
iemand die mij
toen het zetje
gaf het laatste
dat het eerste
was hoe zal ik
weten wie hij
was hij kent mijn
wil hij weet waar-
om ik klom waar-
om ik wilde dat
ik klom want o
alleen als ik
gewild heb dat
ik klom als ik
gewild heb dat
hij mij daar toen
het zetje gaf
het laatste dat
het eerste was
pas als ik mij dat zetje geef
alsnog die zet
misschien ben ik
dan wie ik ben
degeen dus die
uit klimmen ging
ik Bahamontes
zonder waarborg
klimmen ging ik
klom ik zonder
en er was geen
iemand anders
dan de iemand
die mij zegde
Bahamontes
zegde hij zeer
onverstaanbaar
Bahamontes
klim.

Uit: Willem Jan Otten, Welkom

Aanbieding najaar 2011

Pierre Michon | De Elf
J.M.A. Biesheuvel | Alleen in de nacht. Een keuze uit eigen werk (hardcover)
Willem Frederik Hermans | De tranen der acacia’s (hardcover)
D. Hooijer | De wanden van Oeverhorst
Hanny Michaelis | Verzamelde gedichten
Willem Jan Otten | De vlek. Een vertelling
Mark Strand | Bijna onzichtbaar / Almost Invisible
J.J. Voskuil | Binnen de huid (hardcover)
Stephan Enter | Grip
Detlev van Heest | Het verdronken land. Terug naar Japan
Guus Middag | Rarewoordenboek. Van bereshit tot zeeajuin
Karel van het Reve | Verzameld werk deel 7
Jozien van het Reve-Driessen en Hella Rottenberg (red.) | Knip dan, toe dan! Karel van het
Reve in beeld

Gerichte gedichten

Wie bent u? Deze vraag stelt Willem Jan Otten in zijn nieuwe boek Gerichte gedichten. Aan wie stelt hij deze vraag? Wie is de lezer die er, zodra hij een gedicht schrijft, nooit niet is?
Is het waar wat Otten denkt, dat u, de alomtegenwoordige lezer, al van tevoren weet wat hij gaat schrijven? Lijkt u wellicht op zijn moeder ? Of bent u een echomuur? Zit u inderdaad in het Onze Vader? Waar bent u als alle mensen uitgegroeid zijn? Bent u wie weet de vuurtoren van Vlieland? Bent u bekend met de gedachten van Darwin? Was u er toen de vader van de dichter stervende was? In Gerichte gedichten richt Otten zich meer dan ooit rechtstreeks tot de lezer.
Met Gerichte gedichten stuit Otten, na veertig jaar poëzie bedrijven, op het raadsel van de poëzie: als u niet bestond, was er geen gedicht.

Guus Middag in NRC Handelsblad: “een dichter van verrassende beelden, vreemde woorden, snelle idioomwisselingen. Zijn gedichten zijn altijd licht en ritmisch. En hij is in staat om de meest metafysische kwesties terug te brengen tot een herkenbare scène in een herkenbaar decor.” Lees hier het hele stuk.

Willem Jan Otten hield de 4 mei-lezing tijdens de herdenkingsdienst in de Nieuwe Kerk. Zie hier.

‘De beste essayisten’

De in december verschenen essaybundel Niets heb ik van mijzelf van Willem Jan Otten, Kees Verheul en Clay Hunt, is besproken in NRC Handelsblad. Guus Middag noemt het essay van Kees Verheul ‘een van de beste essays van een van de beste essayisten van dit moment’. Een van de andere beste essayisten is volgens hem Willem Jan Otten. Lees hier het complete artikel.

Eerder al werd het boek door Wim Brands in de VPRO Gids uitgeroepen tot het beste boek van 2009.

Er bestaan zo verschrikkelijk veel boeken,dat je soms zou willen dat je iemand hebt die je persoonlijk door de literatuurgeschiedenis leidt. Librisprijs- en Constantijn Huygensprijswinnaar Willem Jan Otten constateerde op zeker moment dat de kritieken die Kees Verheul in de jaren ’80 en ’90 schreef, voor hem leidend geworden waren: Verheul was zijn gids, zoals Vergilius dat voor Dante was. In het eerste deel van deze ‘leestriptiek’ verklaart Otten zijn bewondering voor Verheul in een abecedarium.

Het tweede deel van deze ‘hommage aan het lezen’ is van Kees Verheul. Hij schrijft in het essay ‘Poetic Passion’ over zijn leermeester Clay Hunt, die in 1957 Verheuls docent was aan Williams College, Williamstown, Massachusetts. In het laatste deel komt Clay Hunt vervolgens aan het woord, in een essay dat hij schreef over het gedicht ‘Hymn to my God, my God in my Sickness’ van de zestiende-, zeventiende-eeuwse Engelse dichter John Donne. Het essay en het gedicht werden  vertaald door Sjaak Commandeur.

Lees een bespreking van het boek op de website van Athenaeum, geschreven door Esther Wils.

Otten over veertien helden

We kregen er de afgelopen jaren wekelijks wel een telefoontje of een email over: of we nu eindelijk Willem Jan Ottens essaybundel Waarom komt u ons hinderen konden herdrukken. Nu dan eindelijk, weliswaar zónder de vierkleurencollages van Marc Mulders en daarom voor een lagere prijs.

Toen Willem Jan Otten in mei 2005 de Libris Literatuur Prijs kreeg voor zijn roman Specht en zoon was de eerste vraag van de dienstdoende televisiepresentator: ‘Hoe katholiek moet je eigenlijk zijn om van uw werk te genieten?’ Otten bracht, tot zijn nagelbijtende schande, niet veel meer uit dan dat hij ‘een half uur nodig had om de vraag te beantwoorden’.
Met dit essayboek neemt hij dit halve uur. Hij onderzoekt wat het uitmaakt dat hij zichzelf is gaan beschouwen als zoiets ongebruikelijks als een ‘gekerstende intellectueel’ en probeert aan de hand van twaalf bewonderde schrijvers en twee filmers tot de kern van zijn wereldbeeld te komen.

Over de reeks

Het Nederlandse poëziefonds van Uitgeverij Van Oorschot is befaamd geworden door talloze Verzameld werk-edities, de ‘vignettenreeks’ (1950–1975) en de presentatie van nieuwe dichters die in de loop der tijd doorbraken naar een groot publiek. Een aantal van hen is over leden maar dat hun werk nog springlevend is moge blijken uit de presentatie van een reeks nieuwe en kernachtige bloemlezingen, samengesteld en ingeleid door aansprekende hedendaagse dichters.

2008
J.A. der Mouw Je bent de wolken en je bent de hei
(door Marjoleine de Vos)
J.C. van Schagen Ik ga maar en blijf
(door Ingmar Heytze)

2009
Jan Hanlo Tjielp tjielp
(door Guus Middag)
Chr. J. van Geel Het mooiste leeft in doodsgevaar
(door Willem Jan Otten)
M. Vasalis Op een vlot van helderheid
(door Hagar Peeters)


Deze uitgave kwam tot stand mede dankzij een bijdrage van de Turing Foundation.

Inleiding

door Willem Jan Otten

Het bloesemt en het sneeuwt,
de angst dat je, al ben je jaren
dood, zou kunnen sterven,
leeft.

Als alle grote dichters was Chris J. van Geel niet echt van zijntijd. Het was alsof hij in een  geheel eigen tijdrekening leefde, en zich zo min mogelijk aantrok van het heersend tijdsbesef.
Hij debuteerde laat, op zijn eenenveertigste, in 1958, met een duimdikke bundeling van bijna een decennium poëzie. Maar ook dat was eigenlijk te vroeg. In het Levensbericht voor de Maatschappij van Letterkunde schreef J. P. Guépin dat Van Geel gezegd heeft dat ‘hij het betreurde dat zijn dichtwerk in dichtbundels na elkaar moest verschijnen. Het oeuvre was een geheel, in het werk was hij pas een persoonlijkheid – en die kun je toch niet lichaamsdeel voor lichaamsdeel bekijken’.
Hij heeft nooit helemaal kunnen begrijpen dat een gedicht af zou moeten zijn. Liefst bleef hij er aan werken tot het helemaal onaf was. Zo lijkt hij ook zijn leven opgevat te hebben – als iets dat niet op afronding afstevende. Gedane arbeid bestond niet, arbeid wellicht sowieso niet, hij heeft nooit voor de kost gewerkt, altijd alleen gedicht en getekend en geprutst aan zijn dadaïstische objets trouvés. De eerste helft van zijn leven heeft hij in armoede, op de pof, van de hand in de tand gesleten. Hij was de zoon van een beeldend kunstenaar die dichtte, die weer de zoon van een ‘sierkunstenaar’ was die ook dichtte. Alle drie heetten ze Chris. Wie hem gekend heeft herinnert zich hem als iemand die volstrekt in het heden leefde, op dit eigenste moment, altijd op de gedachte, de betekenis, het beeld komend dat hem om zo te zeggen ‘bij bewustzijn bracht’.
Van deze intensieve, bohemienne levenshouding heeft Elly de Waard, zijn laatste geliefde, van 1962 tot zijn dood begin maart 1974, een levendig, verliefd en zeldzaam intiem beeld gegeven in een mémoire, Rijk aan geest. Ze zegt dat hij, hoeveel tijd hij ook liet verstrijken met aandacht voor de kleinste betekenisverschuivingen op welk gebied dan ook, altijd enigszins gehaast was. Intussen heeft hij het geduld opgebracht om zijn debuut ‘over te slaan’, en te wachten tot hij zijn eigen onverwisselbaar ‘magere’ toon had. Die vervolgens, toen hij dan eindelijk te horen was, door de galm van de nieuwe grote gebarenpoëzie, die van de Vijftigers, overstemd werd.
Hij is wakker gekust door het werk en vooral ook de poëzie van E. du Perron, dat moet in 1937 zijn geweest. Een epigoon is hij, in het gebundelde werk, niet geweest, van niemand.
Van Du Perron leerde Van Geel ‘luciditeit, kritische afstand, en daarmee ook een afkeer van het in de roes geschreven, ‘sterke’ vers, de holle woorden’ ( J. P. Guépin). Wel heeft hij epigonen gehad, ik reken mij daar toe. Ik heb lang zijn poëzie niet herlezen, hij was mijn besmettelijkst denkbare dichter, juist omdat zijn taal niet persoonlijk is, niet ‘dichterlijk’. Hij beweegt zich op het grensvlak van spreektaal en poëzie, het resultaat is ‘poëtische denktaal’, een schijnbaar objectief vehikel, een methode, die oppervlakkig beschouwd doet denken aan de subjectloze haiku-taal, zoals we die uit de vertalingen kennen.
Maar met de verzakelijking en de verironisering van de poëzie in de loop van de jaren zestig had hij ook niets te maken. Anekdotiek is hem vreemd.
In het geding is hier ‘persoonlijkheid’, vermoedelijk het meest kwestieuze begrip in dit oeuvre, dat toch met Du Perron en diens ideeën hieromtrent is begonnen. Is Van Geel een vent, een dichterspersoonlijkheid? Nee, dat is Lucebert, dat is Roland Holst, dat zijn Remco Campert en zelfs Gerrit Komrij, al zegt de laatste dat hij een masker is met daarachter niets. Van Geel is iets anders.
Om tot poëzie te komen lijkt Van Geel zijn persoonlijkheid juist uit te moeten schakelen. Wat naar ‘stijl’, of zelfs ‘interessant geformuleerd’, of ‘esthetisch’ zweemt wordt uitgebannen. In hetzelfde jaar 1937 is hij, via de fotograaf Emile van Moerkerken, met het surrealisme in aanraking gekomen, de écriture automatique. In het enige beschouwend proza van zijn hand – een manifest-achtige brief over het surrealisme uit 1938 – stelt hij vast dat ‘het onderbewustzijn een veel belangrijker bron (is) dan de door rede gecontroleerde, met vooropgezette esthetische of morele deelname, huis-tuin-of-keuken-fantasieverwerkelijking.’ Taaie taal van een wintigjarige, – uiteindelijk zal zijn werk je allergisch leren zijn voor intellectuele dikdoenerij-, maar de strekking ervan is zijn bestemming geworden: het gaat hem om wat je niet kunt kennen maar wel ervaren:

Van zomers die wij niet kennen
ritselen de blaren,
in winters die wij niet kennen
sneeuw onhoorbaar valt.

Hij is de dichter geworden van de ontvankelijkheid – een gedicht vangt wat je met je  vooropgezette dagbewustzijn niet kunt zien, wat je met je dwingende rede niet kunt ondervinden, wat je met je wakend oor niet kunt horen. ‘Door het surrealisme werd Van Geel een authentieke persoonlijkheid’, schrijft J. P. Guépin. En: ‘Voorop staat natuurlijk steeds de authenticiteit, het gedicht moet wortelen in het onderbewuste.’
Je zegt van een goede regel van Van Geel dan ook niet zo gauw dat hij dichterlijk is of esthetisch, eerder dat hij ‘raak’ is. Dat maakt ‘authenticiteit’ en ‘persoonlijkheid’ tot verwarrende begrippen in deze. Om voor het onbewuste, onwillekeurige, onbesliste ontvankelijk te zijn moest Van Geel zijn dichtersego juist verzwakken.
Ergens in 1950 is de beslissing gevallen om, in een zomerhuis in Groet, alleen nog maar dichter te zijn. Hij is hierbij moedig gesteund door Thérèse Cornips, die met vertalen de kost zou verdienen en de hele periode van het debuut met hem geleefd heeft. Haar naam is anagramsgewijs de bundeltitel, Spinroc. Van Geel was opgeleid tot grafisch kunstenaar. De grote beslissing was, op drieëndertigjarige leeftijd, tegelijkertijd het voornemen om géén dichter te zijn. Hij betrachtte een ascese van het poëtische. Hij ging niet op pad om ‘dichterlijke onderwerpen te zoeken’, maar beperkte integendeel zijn leefwereld tot huis, tuin, duinlandschap en zee. Zijn werk zou bestaan uit ‘wat zich voordeed’. Hij cijferde, zou je kunnen zeggen, het doelgericht poëtische weg.
Van Geel doet hier denken aan een oudere dichter (wiens werk hij las) die zich op een vergelijkbare wijze heeft ‘vermagerd’, in een soort lyrische ascese, en op een essentiële manier nooit ‘mooi’ genoemd hoeft te worden: K. P. Kaváfis. Van hem heeft Rudy Kousbroek geschreven dat hij ‘in zijn poëzie verslaafd was aan proza’. Dat lijkt mij ook voor Van Geel op te gaan. Poëzie is wat met zijn taal gevangen wordt, en hoe minder dichterlijk, hoe minder subjectief de taal, des te ongeschondener kon ‘het’ door het gedicht worden weerkaatst.
Het paradoxale is intussen dat Van Geel in veel gedichten taalvondsten doet die hem tot een onverwisselbaar herkenbare dichter maken. Om ‘het’ te vangen – het beeld, de ervaring, de droomflard, de halve gedachte die hem tot beseffen aan had  gezet – is een zeldzame gevoeligheid voor de ambivalentie van woorden vereist. Neem het motto boven dit stuk, daar staat geen enkel ‘eigen’ woord in, toch gebeurt er iets met het één na laatste woord, ‘sterven’, dat het uit zijn gewone doen tilt, wat is ‘sterven’ als je al dood bent, – en dat maakt het even doodgewone laatste woord ‘leeft’ al even vreemd, alsof het eigenlijk ook ‘doodt’ zou kunnen zijn. De woorden krijgen van Van Geel een tegenbetekenis, bijna zoals de oude dame in de psychologische test die ook een meisje blijkt te zijn als je even anders kijkt. De lezer van deze bloemlezing zij gewaarschuwd: als je zeker wilt zijn van wat je leest is hier weinig vreugde te beleven – terwijl je knippert met je ogen over de bijna onmerkbare taalknoop waar je blik langs glijdt zijn de betekenissen al vermenigvuldigd of in hun tegendeel omgeslagen. Herinneren kan vergeten worden, dood leven, rouwen scheppen, missen aanwezig stellen, er naast kijken zien, zwijgen horen. Betekenis, of het ouderwetsere ‘zin’, is het toverwoord van dit werk. Zijn laatste bij leven gepubliceerde boek (1973) heette Het zinrijk. Van Geel begreep dat hij met zijn poëzie een soort zone was gaan bewonen, een gebied tussen droom en werkelijkheid, dood en leven, slapen en waken, waar de nieuwe realiteit tot op grote hoogte is zoals je hem ziet, en degene die er de meeste betekenis ziet is degene die zich er het best thuis voelt.

Van Geel schreef onafgebroken maar beschouwde een gedicht nooit als af. Van ieder gedicht bestond een stapeltje varianten die, hoe minuscuul de verschillen ook leken te zijn, elk  afzonderlijk beschouwd werden als een ander, nieuw gedicht. Hij lichtte uit gedichten die eerder geschreven waren regels die aan de voortwoekerende reeks varianten werden toegevoegd. Misschien moet zijn werkwijze vergeleken worden met  die van een koraalrif – met dien verstande dat daar steeds iets nieuws bijkomt. Terwijl bij Van Geel juist ook het al gemaakte opnieuw kon worden toegevoegd. De vergelijking met een maag dringt zich soms op.
In 1972 is, tijdens een zeldzame afwezigheid van Van Geel, het huis in Groet afgebrand. Het was volgestouwd met de duizenden gedichten en hun varianten. Toen ik hem een half jaar later leerde kennen, in ’t Vogelwater, het huis diep in de Castricumse duinen waar Elly de Waard nog altijd leeft, vertelde hij, met zijn stoïcijnse zelfironie, dat hem een catastrofe had getroffen die precies bij hem paste. Hij was een man van amor fati, hij omhelsde zijn lot. Hij had het rijzige, ontledigde van Samuel Beckett, en keek me altijd geamuseerd aan, alsof ik er ieder moment werkelijk iets van waarde zou uitflappen. Veel gedichten gaan over bloei uit verwoesting, poëzie uit dood. Dan is het niet vreemd dat je poëzie vlamvat. Toch? De verbrande, en vooral: verzopen resten waren ergens opgeslagen, er was een soort archeoloog voor nodig om het ooit eens bloot te leggen. Het idee amuseerde hem, alsof zijn oeuvre nu niet meer van hem was, alsof het opnieuw, net als elk gedicht tot op heden, gevonden kon worden.

Het zal niet verbazen dat er in dit werk geen ‘ontwikkeling’ of ‘vooruitgang’ te ontwaren is. Er zijn weliswaar gedichten uit het debuut (Spinroc en andere gedichten, 1958) die je niet in de drie volgende boeken zult aantreffen, maar toch is er eigenlijk niets in het latere werk dat niet ook in het eerste had kunnen staan.
Zelfs het gedicht waar deze bloemlezing mee begint – het laatste dat hij geschreven en bij leven gepubliceerd heeft – zou in Spinroc hebben kunnen staan. Het is theoretisch denkbaar dat er een zinsnede in staat die ‘gelicht’ is uit een gedichtrest uit, zeg, 1952, bijvoorbeeld: ‘uit wat spint ontstaan’. Het woord ‘spinnen’ als synoniem voor ‘maken’, ‘scheppen’, ‘dichten’ is om zo te zeggen de inslag van dit weefsel. Maar ook de ziel van het gedicht, de bevroren herfstdraad die zich zo moeiteloos, ongeforceerd laat belichamen tot een embleem van vergankelijkheid en tijdelijkheid, had Van Geel van den beginne paraat.
Hij is geen schrijver die naar de dood is toegegroeid. Hij is van meet af aan de dichter van de dood geweest. Er wordt onafgebroken beseft dat mensen dood zijn, maar dat ze dat zijn wordt niet begrepen. Het is een raadsel, dat niet wordt opgelost, maar wel verhelderd. Het betrachten van deze helderheid door altijd door te blijven zoeken naar meerduidiger, betekenisrijker (‘zinrijker’) verwoordingen, – dat is Van Geel.
En ook dat hij hier empirisch te werk gaat, met inzet van al zijn zintuigen, vooral zijn ogen, die hij de kost geeft als een geschoold bioloog. Misschien moet hier de volgende waarschuwing worden uitgevaardigd: dit is geen gevoelspoëzie. Hoezeer deze bloemlezing doortrokken is van dood, nooit is er sprake van melancholie, van klacht. Het misschien wel meest voorkomende woord van de eind-twintigste eeuwse Nederlandse poëzie, ‘troost’, is niet in Van Geel opgekomen. En toch – de herfstdraad, de brekelijkheid, de situatie van het openingsgedicht: dit is het laatste dat door de stervende kennelijk nog wordt gezien, het moet de dichter, om het bijbels te zeggen, op zijn plaats hebben gesteld, hij bestond, er was poëzie, er was betekenis… je hoeft geen pistool op je borst gericht krijgen om te bekennen dat het allemaal drommels ontroert.
Voor mij is dit één van de mysteries van dit werk – het is hard en ontvankelijk, glashelder en sensibel. Het slaat bewustzijn uit een bewusteloze rots, het maakt van poëzie een levenskunst.
Niet ook dood is, geloof ik, wat deze poëzie probeert te zijn. J. P. Guépin oppert, nadat hij de ellendige dood van Van Geels geliefde grootvader (hongerdood in de oorlog) heeft gememoreerd: ‘Op de een of andere manier stonden al zijn gedichten, heel zijn dichten, in het teken van de dood van zijn grootvader’.
Het is alsof de dichter onophoudelijk uit het dodenrijk naar boven geklauterd komt. Ik ben nu een jaar ouder dan de dichter geworden is; tijdens de herlezing begreep ik beter hoezeer dit de poëzie is van iemand die elke impuls, of beter: elke beweging van het bewustzijn dat hem aanzette tot een gedicht, beschouwt als een ontwaken uit een dood. En het paradoxale is dat juist het denkbeeld van de dood hem vaak dit schokje van de poëzie bezorgt. Misschien is het te vergelijken met wat je overkomt als je bang bent om in te slapen – en dan, áls je lijkt weg te zinken, met een rukje opgeschrikt wordt. De gedachte die je dan hebt is, in aanleg, het Van Geelse gedicht. De ontvankelijkheid voor zulke rukjes, en het vermogen ze intact (‘gaaf ‘) te houden, is de Van Geelse gave. Daar heeft hij voor geleefd. Misschien kunnen we niet anders dan verliezend leven, in de rouw, en is missen het scheppend principe bij uitstek.

Een keuze maken uit dit oeuvre is zoiets als door een spinnenweb lopen. Hij was een zorgvuldig componist van bundels, hij ordende vaak in reeksen. Schijnbaar te ‘dunne’ gedichten, van twee en soms zelfs één regel konden in een reeks van grote, ondoorgrondelijke pracht worden, zoals in Slaapwandelen (uit: Uit de hoge boom geschreven). Zo’n reeks is eigenlijk één gedicht – natuurlijk heb ik even overwogen om hem als zodanig te beschouwen en in z’n geheel op te nemen, en de afzonderlijke gedichtjes, met wat extra wit er tussen, op één pagina af te drukken. Maar daarmee zou ik de belangrijkste stijlfiguur van het maaksel verwoest hebben: het wit om en tussen elke afzonderlijk item. Dat wit! Het is de vergetelheid, dat waar je in verdwijnt, de papierdood – waaruit het gedicht, als een rukje, opstaat. Precies dit heeft lezers geërgerd en afgestoten, pretentieuze, zelffeliciterende humbug vonden ze dat. ‘Dat beelden uiteindelijk ondoorgrondelijk zijn, dat is mijn grootste troost’, heeft de filmer Andrej Tarkovski gezegd. Van Geel wilde helder zijn, en dikte soms zijn beelden in tot maar enkele raadselzinnen op één ijzingwekkend lege pagina – zo betekenisvol dat ze er ondoorgrondelijk van werden. En ja, dat is aanstootgevend, en zal dat altijd blijven. Maar voor deze bloemlezing werkte het niet. Uiteindelijk ben ik simpelweg ‘gedichten’ gaan aanstrepen, in het volle besef dat er tussen ‘het beste’ en het ‘minder goede’ bij Van Geel geen scheidslijn bestaat. Het mochten er niet veel meer dat zestig worden; had ik de kans gekregen om er honderd zestig te selecteren, dan zou dat, zonder kwaliteitsverlies, gelukt zijn.
De zestig zijn uitgekozen terwijl ik enkele maanden op Vlieland aan het werk was. Dit verklaart bijvoorbeeld de oververtegenwoordiging van zee-gedichten, te vinden in ongeveer het zenith van dit boekje. Als de zee een bewustzijn doorboort is dat ongetwijfeld één van de moeilijkst met woorden aan de lezer terug te kaatsen fenomenen. Iedereen kent het, niemand weet er raad mee. Het is traditie in een beschouwing van Van Geels werk te zeggen dat hij ‘géén natuurdichter is’. Dat heb ik altijd flauw gevonden. Als rechtgeaarde surrealist hing van Geel het ‘wat je zegt dat ben je zelf ‘-principe aan. Dus als het leeuwendeel van zijn gedichten bestaat uit wat hem tot beseffen bracht tijdens zijn wandelingen door de omgeving van het huis in Groet, dan is wat je ziet: natuurpoëzie. Er is geen beter woord voor. De stadsjongen Van Geel is een natuurdichter geworden. In de natuur, de onbewoonde, nog door mensen onaangeraakte, kon hij zichzelf lezen. Door die natuur heen daalde hij af in zichzelf.
Toen de zestig gedichten er waren, was het volgende tantalusprobleem de volgorde. Moest ik thematische groepen maken – dood, slaap, dier, plant? Er is, door hem zelf, samen met Tom van Deel, een bloemlezing van dier-gedichten gemaakt, ‘Dank aan de koekoek’ – die is er dus al, en ik weet niet of de alfabetische ordening daarvan bevredigend is. Op volgorde van ontstaan was ook geen vruchtbare mogelijkheid: het vroegere en het latere is door elkaar geraakt, Van Geel kende
geen tijd. Toen ik Elly de Waards memoire Rijk aan geest herlas, met daarin de nauwkeurige beschrijving van één werkdag van de dichter, wist ik dat dit boekje één zo’n dag zou worden. Dat het ’s morgens, aan het eind van de nacht, binnenshuis zou beginnen. Met het laatste sterfbedgedicht, dat bij uitstek ‘binnen’ is. Dat er de tuin in gegaan zou worden, en daarna via het omringende duin–‘ en boslandschap, naar zee. Dat tijdens deze eerste wandeling de seizoenen zouden verschuiven en de avond zou vallen. Dat er tijdens de wandeling een ‘onderduiker in Artis’ (het vroegst geschreven gedicht in deze bundel) wordt ontmoet – een kniesoor die daar bij een surrealist op let. Vervolgens zou, na een oponthoudje thuis, een nachtwandeling worden gemaakt – iets wat ik mij herinner met hem gedaan te hebben, als twintigjarige, vroeg in de zomer, na een avond en nacht praten – tot het ochtendgloren. Waarna het boekje weer binnen zou eindigen met een gedicht dat zich herinnert hoe het allemaal begon: met Du Perron, met wakker gekust worden door poëzie. Want een wakkerkusser en tot-besef-brenger, dat was Chris J. van Geel, en zal hij ook op deze bladzijden weer zijn.

Ik ben na het vinden van de afzonderlijke gedichten, en van deze ordening, niet naar gedichten gaan zoeken die de dichterdag logischer zouden maken. Dat leek me niet in de geest van Van Geel.

Voor meer informatie zie ook: www.chrisvangeel.nl

Over de reeks

Het Nederlandse poëziefonds van Uitgeverij Van Oorschot is befaamd geworden door talloze Verzameld werk-edities, de ‘vignettenreeks’ (1950–1975) en de presentatie van nieuwe dichters die in de loop der tijd doorbraken naar een groot publiek. Een aantal van hen is over leden maar dat hun werk nog springlevend is moge blijken uit de presentatie van een reeks nieuwe en kernachtige bloemlezingen, samengesteld en ingeleid door aansprekende hedendaagse dichters.

2008
J.A. der Mouw Je bent de wolken en je bent de hei
(door Marjoleine de Vos)
J.C. van Schagen Ik ga maar en blijf
(door Ingmar Heytze)

2009
Jan Hanlo Tjielp tjielp
(door Guus Middag)
Chr. J. van Geel Het mooiste leeft in doodsgevaar
(door Willem Jan Otten)
M. Vasalis Op een vlot van helderheid
(door Hagar Peeters)


Deze uitgave kwam tot stand mede dankzij een bijdrage van de Turing Foundation.

Over de reeks

Het Nederlandse poëziefonds van Uitgeverij Van Oorschot is befaamd geworden door talloze Verzameld werk-edities, de ‘vignettenreeks’ (1950–1975) en de presentatie van nieuwe dichters die in de loop der tijd doorbraken naar een groot publiek. Een aantal van hen is over leden maar dat hun werk nog springlevend is moge blijken uit de presentatie van een reeks nieuwe en kernachtige bloemlezingen, samengesteld en ingeleid door aansprekende hedendaagse dichters.

2008
J.A. der Mouw Je bent de wolken en je bent de hei
(door Marjoleine de Vos)
J.C. van Schagen Ik ga maar en blijf
(door Ingmar Heytze)

2009
Jan Hanlo Tjielp tjielp
(door Guus Middag)
Chr. J. van Geel Het mooiste leeft in doodsgevaar
(door Willem Jan Otten)
M. Vasalis Op een vlot van helderheid
(door Hagar Peeters)


Deze uitgave kwam tot stand mede dankzij een bijdrage van de Turing Foundation.