Winkelwagentje

Schermafbeelding 2020-03-16 om 15.54.17Nogmaals Helman. In 2017 volgde ik bij Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, een vak over Caribische letterkunde. Het was een van de hoogtepunten van mijn studie, mede omdat Van Kempen zo’n geweldig enthousiasmerende docent is. Hij toonde zich een uitstekend verteller, fleurde het bestuderen van teksten op met persoonlijke verhalen en anekdotes, en durfde dus simultaan wetenschapper en mens te zijn. Binnen het huidige academische bedrijf is die persoonlijke werkwijze helaas een zeldzaamheid geworden. De Caribische literatuur wordt over het algemeen beschouwd als marginaal of onterecht verwaarloosd. De postkoloniale traditie zou maar beperkt voet aan de grond hebben gekregen in het behoudende naoorlogse Nederland, waardoor een groep eigenzinnige schrijvers in de vergetelheid is geraakt. Interesse in deze letterkundige tak komt dan ook vaak voort uit het verlangen hun werken af te stoffen en hun reputatie in ere te herstellen. Dat kan deels persoonlijk gemotiveerd zijn: dichter Dean Bowen (1984) spreekt bijvoorbeeld van ‘een chronisch gebrek aan zwarte schrijvers in mijn jongere jaren’ dat hem ertoe aanzette om zich in het oeuvre van Edgar Cairo te verdiepen. Voor mij zat het net anders. Ik ben tien jaar jonger dan Bowen en had het internet al vroeg tot mijn beschikking: schrijvers als Astrid Roemer, Tip Marugg, Frank Martinus Arion en Bea Vianen was ik jaren voor ik aan het vak begon al tegengekomen op Wikipedia en Boekwinkeltjes.nl. Ik hoefde dus zelf niets meer te ontdekken. Wel was ik geïnteresseerd in de banden tussen de Nederlandse en de postkoloniale literatuurgeschiedenis, de invloeden en contacten die heen en weer gingen. Een van de eerste weken kreeg ik daar meteen een prachtig voorbeeld van. Het was een foto die me onmiddellijk raakte en waar ik nog regelmatig aan terugdenk. Op de afbeelding zie je rechts het slungelige lijf van dichter Hendrik Marsman (1899-1940). Naast hem staat een vrouw met zwart haar en een grote zonnehoed. Haar gelaatstrekken kan ik niet goed onderscheiden, maar mogelijk is zij Rien Barendregt, Marsmans echtgenote. En links van hen zien we Albert Helman (1903-1996), met een ontzettend guitige lach op zijn gezicht. In de eerste plaats stond de algehele vrolijkheid me aan. Helman ligt in een kinderwagen, Marsman houdt het geval in evenwicht of staat op het punt om zijn vriend uit beeld te rijden. Er spreekt speelsheid uit, verbroedering: de twee schrijvers die mogelijk het meeste hebben betekend voor de moderne literaire verbeelding van hun vaderland - respectievelijk Suriname en Nederland - staan hier zonder ernst of plichtpleging naast elkaar. Alsof de splijtende geschiedenis geen grip op ze kreeg, de individuele herkenning hun verschillen teniet deed. Veel van mijn generatiegenoten zullen dit beeld nog met iets anders associëren. Een van de meest iconische stunts van de legendarische televisieserie Jackass bestond uit het rondrijden van met mensen gevulde winkelwagentjes, met het einddoel het gevaarte op een zo kunstig of pijnlijk mogelijke manier te laten crashen. Aan het begin van de jaren 0 werd het programma door jongeren wereldwijd verafgood en er volgden eindeloos veel imitaties - het bewijsmateriaal is te vinden op YouTube. Die puberale baldadigheid is niet zo direct terug te zien in de foto van Helman en Marsman. Maar uit hun pose spreekt eveneens een jongensachtigheid, die in dit geval eerder ontroerend is. Hier zijn twee vrienden die met hun geklier de formele volwassen wereld kortstondig op afstand houden. Gelukkig is het in zekere zin een eeuwig tafereel. Afgelopen week nog zag ik een groepje jongens op de Reguliersgracht, net voor het Amstelveld. Ze reden een winkelwagentje de bruggen op en af. Een van de vrienden zat erin en gooide een voetbal in de lucht. Toen ik langsliep hoorde ik ze honderduit kletsen en lachen.