Tegen de lente

sneeuwklokjes-algemeen-5-Galanthus-Benton-Magnet

Op de terugweg van de Albert Heijn liep ik langs hem. Het was niet eens echt een ontmoeting. Met zijn gezicht in de zon en zijn rug tegen de gevel van de moskee – één schoen al aan, z’n andere voet in slechts een maagdelijk wit sneakersokje zwevend boven het trottoir – luidde hij officieel mijn lente van 2019 in. Zijn leeftijd kon ik moeilijk inschatten, maar laten we hem Sneeuwklokje noemen. Ik kon niet zien of hij zag dat ik keek, al leek hij vanachter een vuistdikke lok echt jongenshaar vooral verzonken in zijn telefoon. Om zijn lippen speelde het type glimlachje dat je ook wel eens ziet in de trein als mensen stiekem zitten te sexten.

O. den Beste, de oud-leraar Duits, gespeeld door Wim de Bie, vatte de lente samen als een ‘obsceen jaargetijde’ waarin je ‘al die vieze meeldraden en stampers openlijk ziet hangen’. Zo ver wil ik hier niet gaan – het sokje van Sneeuwklokje had niets obsceens, eerder een bijna hoofse bekoring – maar hij heeft gelijk als hij stelt dat de lente het hoofd op hol brengt, met alle gevolgen van dien. Herfstdepressies zijn niet zelden een gevolg van lentekriebels. Maar al te vaak sturen impulsieve geilheid, zelfoverschatting en blinde opruimwoede onze beslissingen in het voorjaar, waardoor we in het najaar op de blaren moeten zitten.

Trap er niet in, mensen, in de lente.

Achteraf ben ik blij dat ik mijn M. in de winter heb ontmoet onder de schraalst mogelijke omstandigheden, ontdaan van feestelijke kerstverlichting en nog ver vóór het begin van enig ontluikend groen. Ik ben toch selectiever buiten het baltsseizoen. Een paar maanden later, een paar graden warmer en hij zou in plaats van de liefde van mijn leven misschien nooit méér zijn geweest dan een toevallige amoureuze passant – zoals Sneeuwklokje dat in theorie ook had kunnen zijn (in theorie had hij dan zijn sokjes aan mogen houden).

Geen enkel seizoen veroorzaakt meer spijt dan de lente.

Het jaar ben ik vergeten, maar lang geleden was het begin mei toen ik besloot tot dat andere lenteritueel, de grote schoonmaak – de eerste en meteen ook laatste in mijn leven. In de berging boven mijn vorige appartement stonden nog verhuisdozen vol troep uit Krommenie en mijn studietijd, vergeten en genegeerd, want ik kwam niet graag op die zolder. Het was er benauwd en de bovenbuurman kweekte daar heel enge kamerplanten, duidelijk met minder succes van de vrije natuur buiten. Overal stonden stekkies in potjes prut of groezelig water in wisselende staat van ontbinding. Sommige vochten voor hun leven; deels al afgestorven maar met één bizar vergroeide loot nog altijd klauwend naar het dunne streepje zonlicht dat door het zolderraam naar binnen viel.

Ik dacht dat ik het wel aankon in die stoffige berging tussen de rottende vegetatie, maar na inspectie van de eerste doos (een kapotte viewmaster, een stapel floppy’s die ik toen al nergens meer in kon steken) stapte ik over op een snellere en beproefde opruimmethode die gegarandeerd leidt tot ellende: alles wat ik de laatste twee jaar niet had aangeraakt, moest weg. Zo hoefde ik die dozen alleen nog maar in de centrale vuilcontainer aan de overkant te gooien.

Het was al te laat toen ik diep in de container het onmiskenbare geluid van rinkelend edelmetaal hoorde. Ik wist meteen wat het was. Omwille van de illusie van ‘een frisse start’ had ik ongezien het twaalfdelig zilveren bestek dat mijn moeder me voor mijn afstuderen had gegeven met doos en al weggesmeten.

Nu spijt het me dat ik het haar nooit eerlijk heb verteld. Wanneer ze kwam eten, zag ik steeds haar teleurstelling als ik opnieuw een stalen vork naast haar bord legde, maar we hebben het er nooit over gehad. Waarschijnlijk dacht ze dat ik het verpatst had, haar tafelzilver voor sigaretten of drugs of god weet wat ze toen over me gedacht moet hebben, en ik heb dat de rest van haar leven zo gelaten. Beter zo. Beter dan de waarheid dat de lente het gedaan had.

Arjen van Lith (1971) is schrijver. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van brieven aan zijn kapper en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Arjen van Lith

Arjen van Lith (1971) is journalist, schrijver en kunstenaar. Sinds acht jaar woont hij in de Verenigde Staten, eerst in Austin en nu in Pittsburgh, waar hij werkt aan zijn sleutelroman en andere projecten