Op mijn zestiende kreeg ik van mijn vader Weekendpelgrimage van Tip Marugg cadeau. Marugg (1923–2006) was een Curaçaos schrijver met een klein oeuvre. Hij schreef drie romans, waarvan de laatste, De morgen loeit weer aan, werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs van 1988.
In de dagen of weken dat ik als zestienjarige Weekendpelgrimage las, werd ik verschrikkelijk somber. Ik klaagde er bij mijn moeder over. Ze suggereerde dat het kwam door het boek dat ik aan het lezen was.
Waarschijnlijk had ze gelijk, want in Weekendpelgrimage beschrijft Marugg een Curaçaose jongen, die midden in de nacht met zijn auto in een kuil aan de rand van de weg zit. ‘Mijn hoofd ligt op het stuur,’ luidt de eerste zin. ‘Het is er met een harde slag tegenaan gekomen, maar ik voel geen pijn.’ Hij is dronken en heeft allerlei zwaarmoedige gedachten over zijn eiland en de eilandbewoners.
Achterin mijn exemplaar van Weekendpelgrimage staat een interview van Cees Zoon met Marugg, afgenomen na verschijning van De morgen loeit weer aan. Zoon schetst een fascinerend beeld van een eenzame en alcoholistische man, die afgezonderd leeft met een paar agressieve honden, overdag slaapt en ’s nachts whisky drinkt en op zijn veranda zit.
Omdat mijn vader op Curaçao woont kom ik regelmatig op het eiland. En afgelopen winter besloot ik om samen met mijn broer op zoek te gaan naar het huis waar Marugg gewoond heeft. Op zoek naar de omgeving die hij in De morgen loeit weer aan beschreven heeft.
‘De heremiet van Pannekoek’ werd Marugg genoemd. En aanvankelijk wist ik niet meer dan dat hij ergens op de oude plantage Pannekoek woonde, op Banda’bou, het verlaten westelijke gedeelte van het eiland.
Daar kwam verandering in toen Niemand is een eiland. Het leven van Tip Marugg in gesprekken (2006) verscheen. Op de achterkant van dit boek van Petra Possel staat namelijk een foto van de schrijver: hij staat achter het hek van zijn huis, met aan zijn benen twee van zijn agressieve honden, en houdt zijn hand afwerend naar de camera. Op het muurtje naast het hek staat: PAN 68.
Mijn broer en ik reden met de auto naar Banda’bou. Ik stelde me een volkomen verlaten huis voor, ver afgezonderd van andere woningen, ver weg van de grote weg die het ene deel van het eiland met het andere verbindt.
Langs deze weg, in de buurt van de oude plantagewoning en voor een huis dat aan het zicht werd onttrokken door grote struiken, stonden drie jongens rond een witte Suzuki. Ik vroeg of ze wisten waar Tip Marugg vroeger gewoond had. Van Tip Marugg hadden ze nog nooit gehoord. ‘Hij woonde op nummer 68,’ zei ik. Maar dat zei ze ook niks.
We wilden de moed al opgeven, tot er uit het huis achter de bosjes ineens een vrouwenstem klonk.
‘Mijn oma,’ zei een van de jongens. In het Papiaments riep hij haar iets toe. Uit de struiken kwam een lang en onverstaanbaar antwoord.
‘Mijn oma zegt dat nummer 68 daar is,’ zei de jongen uiteindelijk. Hij wees naar het huis dat een paar honderd meter verder langs dezelfde weg stond. Maruggs onbekendheid op het eiland ging blijkbaar zo ver, dat zijn eigen buren hem niet eens kenden.
We reden ernaartoe. Het hek en de muur voor het huis waren dezelfde als op de foto. Alleen was de muur roze geverfd en het verroeste hek wit. Ook waren de bomen op de achtergrond van de foto verdwenen.
Een recht pad liep naar het midden in de tuin gelegen huis. De schuifdeuren stonden open. Er wapperde een groen gordijn naar buiten. Binnen stond de tv keihard aan.
In de voormalige kluizenaarswoning woont tegenwoordig een vrouw met een baard en een gouden tand. Toen ze naar buiten kwam, droeg ze alleen een roze, doorschijnende jurk. Ze had wel eens eerder gehoord dat er een schrijver in het huis had gewoond. De woning was in vervallen staat toen ze erin trok en ze had er veel aan moeten doen. De meeste bomen en struiken op het terrein had ze verwijderd. Ze nam zich al een paar jaar voor om iets van Marugg te gaan lezen.
Lees de Tirade Blog

Er geen vrij voor nemen
Sinds deze week zit ik in ronde zes van de roman waaraan ik in 2024 begon. De eerste anderhalf jaar gingen op aan het schrijven van de grote lijn: twee levens moesten worden vastgelegd, elk met een eigen begin. Er moest hoop zijn voor mijn opgroeiende personages, maar ook best wat tegenslag. Mijn wens was...
Lees verder
DE MENS ALS BIOPIC 14 De jongens Von Amsberg
‘Een koe laat elke 90 seconden een scheet, een mens 18 keer per dag. Het aantal scheten van een walvis kan alleen maar geschat worden.’ Zo ongeveer begint het toneelstuk Emily, of het geheim van Huis ten Bosch. De drie zonen van koningin Beatrix en prins Claus von Amsberg zitten in de centrale salon van...
Lees verder
Een scherp verlangen – over zakmessen
Larousse 26 Het begon ongetwijfeld met een Zwitsers legermes. Rood plastic met een wit kruisje erop. Een hoeveelheid functies: een mes, een klein mesje, een zaag, een nagelvijl, priem, blikopener, flessenopener, een kurkentrekker. Misschien was ik tien jaar toen ik er de eerste keer uiteindelijk eentje kon kopen. Het is eveneens een haptische sensatie: het...
Lees verder
Blog archief


