Ik rust met mijn hoofd tegen een tuinmuur in Lissabon. Een muur aan mijn rechterzijde is begroeid met wingerd. Links klatert een fonteintje. Vannacht werd ik wakker met gierende doodsangst. Ik dacht dat ik dat wel achter me gelaten had. Ik word nooit meer zo wijs als ik was toen ik 30 was. Vanuit een raam hoor ik pianomuziek. Een herinnering aan een gedicht vlamt op. Het is een Pessoa’s ‘Un soir à Lima’. Wat op zichzelf weer een gedicht over herinneren is, ik woon in een Drostedoos. Het is een prachtig, tweeënhalf meter lang gedicht. Pessoa hoort op zijn beurt een radio:
De stem van de omroeper kondigt
even langzaam als gevoelloos aan:
‘en dan nu
“Un soir à Lima”’…
Mijn glimlach verstart…
Mijn hart staat stil.
Wat volgt is een dromerig melancholieke herinnering aan Pessoa’s moeder die op een avond in Zuid-Afrika – waar Pessoa als jongen woonde – ‘Un soir à Lima’ speelt op de piano, terwijl hij als oudste nog op is. Buiten de warme Zuid-Afrikaanse nacht. Een bitterzoete herinnering, want zijn moeder is dood. Het muziekstuk is een serenade voor piano van de componist Dieudonné-Félix Godefroid (1818-1897), een beroemdheid in de 19e eeuw, zij het meer als uitvoerder dan als componist en dan nog speciaal op de harp. (Zijn dochter trouwde met Adolphe Sax, de uitvinder van de ….sax)
Ik denk dat je gaande het lange gedicht Pessoa’s promillage kunt zien toenemen. Ik heb in mijn uitgave van de vertaling (door Harrie Lemmens Een spoor van mezelf) in de kantlijn drie keer ‘drank’ genoteerd, waar ik denk dat je kunt zien dat hij weer wat dieper in dronkenschap tuimelt. Niet als een oordeel, maar als een fascinerend zichtbaar bijeffect. En ook wel een manier om als matig drinker nog eens onmatig te zijn: je voelt de roes… Drank schiep dit meesterwerk, denk ik.
Pessoa beleeft hier wat Julian Barnes in – wat hij zegt dat zijn laatste boek is – een ‘involuntary autobiographical memory’ noemt. Een IAM. Barnes jongste boek is een afscheid. Departure(s) is onder veel meer een studie naar herinnering. Via Proust en hersenafwijkingen naar veel meer (stel je je voor dat je iedere taart die je ooit at opeens precies kunt herinneren, het bestaat. En onplezierig, vooral als je niet zo dol meer op taart bent). Hoe onvrijwillig een te binnenschietende herinnering ook kan zijn, dikwijls houden ze geluk in. Een gelukkige herinnering. Maar bitterzoet van nature: het was mooi, maar het is voorbij. De kunst gaat zijn te denken: het is voorbij, maar het was mooi. De omdraaiing is je mogelijkheid tot geluk.
Ik woon in het huis waar mijn kinderen opgroeiden en vertrokken de wereld in. Soms, eveneens mijmerend draai ik de film terug af van vertrekkende adolescenten naar schoolkinderen, naar kleuters etc. en zie de kamers in mijn herinnering daarmee terugveranderen naar wat ze toen waren. Een diachrone huisbeschouwing.
Ik zie alles helder!
Ik ben weer daarginds.
Klinkt het dan bij Pessoa. De herinnering van geluk is ook geluk.
Hoeveel, hoeveel
is voor mij slechts droom geweest,
slechts treurig
blije verrukking
dat ik het had gedroomd,
wie weet het heimwee
veranderd in half menselijke mijmering
over wat er allemaal is in die verre nacht
waarin jij, mama, in het harde lichtschijnsel
op de piano speelde
‘Un soir à Lima’.
Mij intrigeert hierin: ‘wat er allemaal is, in die verre nacht. Pessoa probeert zijn herinnering uit te breiden, of liever nog: de wanden van zijn herinnering op te rekken en daar te kunnen leven in die verre Afrikaanse nacht. Dat is naast herbeleven nog een truc voor geluk. Het daar zijn en die wereld uit te breiden. Voor even.
En ik stond voor het raam en zag
alle maanlicht van heel Afrika het landschap
in mijn droom overspoelen.
En het is een onverschillige zender
die mij door een onbewust toestel
in muziek, alleen in muziek,
de sterke doodsangst bezorgt die ik krijg
van het zien van jou, omdat ik me herinner
dat je, mijn moeder, mijn moeder,
zo rustig speelde
‘Un soir à Lima’.
De floers van de tranen verblindt niet,
huilend zie ik
wat die muziek mij aanbiedt –
de moeder die ik had, het oude thuis,
het kind dat ik was,
de verschrikking van de tijd omdat hij verglijdt,
de verschrikking van het leven omdat het uitloopt op de dood.
Ik zie en ik val in slaap,
en in de verdwazing waarin ik vergeet
dat ik nog besta in deze wereld die er is…
zie ik mijn moeder spelen.
Die kleine witte handen,
die mij nooit meer liefkozend strelen,
spelen voorzichtig en sereen op de piano
‘Un soir à Lima’.
Ik droom omdat ik baad
in de irreële rivier van de opgeroepen muziek.
Mijn ziel is een haveloos kind dat
in een donker hoekje ligt te slapen.
Het enige wat ik heb in de zekere, wakkere werkelijkheid,
zijn de vodden van mijn verlaten ziel
en mijn hoofd, dat droomt tegen de tuinmuur
Lees: Fernando Pessoa Een spoor van mezelf vertaling Harrie Lemmens
Julian Barnes Departure(s)







