08:46

Al meer dan een jaar drukt de realiteit zich lelijk en onderdrukkend in onze gezichten als de knie van een boosaardige witte man in de nek van een onschuldige zwarte man. Toen ik die zin schreef, doelde ik op de pandemie. Maar precies een jaar geleden gebeurde wat als beladen maar passende metafoor werkt, letterlijk. 08:46 is symbool gaan staan voor de dood van George Floyd – al bleek het achteraf nog langer te duren. En pas zo’n elf maanden later kon iedereen het erover eens zijn dat het moord was. Dat de man die al grijnzend het leven uit een ander lichaam drukte, de gevangenis in moest.

Toen ik een jaar of veertien was bezocht ik met mijn ouders het Arles Fotofestival. Een van de tentoonstellingen liet allerlei beelden zien van vroegere lynchings in Amerika. Sindsdien staat er een beeld uit 1935 in mijn geheugen gegrift, als met een dikke permanent marker: een meisje, niet ouder dan acht, staat haast proestend te kijken naar een zwarte man (Rubin Stacy) die in een nabije boom is opgehangen. (Hij werd gelyncht voor het ‘bang maken van een witte vrouw’.)

Lynchen ging vaak gepaard met buurtpicknicks. Dit was zo’n widespread fenomeen dat er lange tijd twijfel bestond over de etymologie van het woord ‘picknick’. Het martelen en vervolgens vermoorden van zwarte mensen was een gezellig familie-evenement voor witte mensen.

In de roman The Stone Face (1963) van William Gardner Smith – een tijds- en Parijsgenoot van James Baldwin en Richard Wright – beschrijft de protagonist het gezicht waarvoor hij naar Frankrijk is gevlucht, het gezicht van de racistische mensen in Amerika. ‘…the jaw was clamped tight, the mouth was a compressed bitter line, […] the eyes were flat, fanatic, sadistic and cold. It was an inhuman face, the face of un-man’. In Frankrijk komt hij hetzelfde gezicht tegen: hier is het niet op hem gericht, maar op de Algerijnen.

In Baldwin’s If Beale Street Could Talk (1974) beschrijft de jonge, zwangere Tish eveneens het voorkomen van de witte politieman die haar onschuldige vriend arresteerde. Ze komt hem op straat tegen en kijkt voor het eerst goed naar hem. ‘I was beginning to learn something about the blankness of those eyes. […] If you look steadily into that unblinking blue, […] you discover a bottomless cruelty, a viciousness cold and icy. In that eye, you do not exist: if you are lucky. If that eye, from its height, has been forced to notice you, […] you are marked, marked, marked, like a man in a black overcoat, crawling, fleeing, across the snow.’

85, respectievelijk 57, respectievelijk 46 jaar later ziet haast de hele wereld een witte politieman met een nietszeggende uitdrukking en zijn hand in zijn zak op de nek van een zwarte man knielen tot die sterft. Is dit echte nonchalance, of is die geveinsd? Is die aangeboren of aangeleerd? Waar leer je zulke onmenselijkheid? (Asking for an enemy.) En wat is er onmenselijker: haat en walging, of pure onverschilligheid over andermans lijden?

Dit is óók het gezicht van racisme. Mensen denken al snel aan haat, maar er is ook leegte, onverschilligheid, soms grenzend aan vermaak. Je komt het niet alleen tegen in het nieuws uit de VS en andere verre oorden. Dit is ook het gezicht van mensen die ik ken, die zeggen: ‘Ik ben geen racist, maar…’ en vervolgens apen-en-bananengrappen maken. Dit is ook het gezicht van de oude dansdocent van mijn zusje, die ervan overtuigd was dat zij goed ‘urban’ kon dansen, nog voor de les was begonnen. Of het iemand pijn doet, hen voor altijd bij blijft – daar denken ze niet aan. Dat doet ze niets.

In Going to Meet the Man stelt Baldwin zich voor wat er in de hoofden van de witte mensen omgaat die een lynch-picknick bijwonen: ‘“we’re going on a picnic,”’ zegt de vader van jonge Jesse. ‘“You won’t ever forget this picnic!”’ Vervolgens kijkt de jongen, zittend op de schouders van zijn vader, toe hoe er een zwarte man levend wordt verbrand. ‘He began to feel a joy he had never felt before.’ (Als Jesse later in zijn leven aan de lynching terugdenkt, raakt hij opgewonden. Is dát misschien wat Chauvin’s hand in zijn zak deed…?) Na de verbranding gaat de familie snel richting de tafel waar het eten is uitgestald, voordat het op is.

Fannah Palmer

Fannah Palmer (1994) studeert momenteel online aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze schrijft zelf fictie, poëzie en af en toe een essay. Naast haar ambities in de uitgeverswereld hoopt ze in de nabije toekomst veel eigen werk uit te brengen.