Aankomstdag

Toto, mijn telefoonvriendin, belde deze week. Ze waaide na de middelbare school uit naar Nijmegen, en ik bleef in Amersfoort. We hebben elkaar daarna nog slechts een enkele keer in echt gezien, maar we bleven bellen, elke week, soms urenlang.

Omdat ik niet vaak de telefoon opneem de laatste tijd, had ik haar al een tijdje niet gesproken. Toto blijft gelukkig vastberaden bellen, tot ik een keer opneem. Deze keer nam ik op, en er lag een secondenlange stilte als nachtvorst op de lijn, omdat ze niet had verwacht dat ik aan de telefoon zou komen.

Het fijne aan iemand een tijd niet spreken, is het bijpraten – het dwingt je om de recente gebeurtenissen in je leven even op een rijtje te zetten, om terug te halen wat er eigenlijk allemaal gebeurd is. Ik vertelde over een date die ik had gehad, een gedicht waar ik mee bezig was en een feest waar ik was geweest. Toto vertelde over haar verblijf in Winterswijk, waar ze verbleef voor haar coschappen, haar vriendje met wie ze nu even samenwoont en een bevalling die ze had bijgewoond.

Die bevalling was heel bijzonder geweest, vond ze – het was een emotioneel moment, heel intiem, maar ook heftig. Boven alles was het vooral mooi, een verhaal om te onthouden, net zoals haar ouders ooit over haar geboorte hadden verteld, de foto’s aan haar hadden laten zien, de filmpjes ook.

Ik reageerde wat stug, omdat ik die verhalen zelf niet ken. Het doet altijd stiekem pijn als iemand vertelt over een geboorte, al wil ik dat niet – het is geen afgunst, denk ik, maar meer een stekend soort gemis. Mijn ouders hebben geen anekdotes over hoe mijn vader mijn moeders hand vasthield toen ik werd geboren, dat de bevalling moeizaam was, maar dat alle zorgen, pijn en angst wegtrokken, toen ze me voor het eerst in hun armen hielden. Dat is een van de moeilijke dingen van geadopteerd zijn: het begin van het levensverhaal ontbreekt, is door niemand opgetekend, niet bekend. Het is gissen en soms probeer je met de schaarse dingen die je weet (ziekenhuizen, weeshuizen, pleeggezinnen) de puzzel een beetje aan elkaar te leggen.

Dat moeilijke ontbreken van mijn eerste paar maanden op deze wereld is ook de reden waarom ik niet van mijn verjaardag houd, het liever niet vier, me verschans in mijn woning. Het is niet de viering van een herinnering, geen dag die in geheugens staat gegrift, niet het moment waar mijn ouders negen lange maanden naar uit hadden gekeken. Het is niets meer dan een datum die is overgeleverd, en we weten misschien niet eens zeker of die dag wel klopt.

Toch is er wel een dag die we vieren. In de familie noemen we dat ‘de aankomstdag’ – een term die voor ons doodnormaal is, maar die anderen vaak even doet fronsen. Het is de dag waarop twee mensen op Schiphol stonden te wachten, op het vliegtuig dat zou landen, op de mevrouw van het adoptiebureau, op mij. Het is het moment waarop ik voor het eerst echt thuiskwam, bij de liefste, warmste, beste ouders die ik nooit had, maar toch kreeg – het is de eerste keer dat ik gewenst was.

Die aankomstdag valt dit jaar precies op de dag waarop dit stukje verschijnt. Omdat ik op die dag moet voorlezen, ben ik voor het schrijven van dit stuk bij ze langs geweest. Ik omhelsde mijn ouders met het ongemak waarmee ik ze vaker een knuffel geef, omdat liefde soms zo groot is dat het niet in een omhelzing past, we haalden de herinneringen op die we wel hebben, maar waren vooral een gezin, zoals we dat altijd zijn geweest. Een vader, een moeder en twee zonen. Dat voelt vaak zo vanzelfsprekend, zo veilig, zo vertrouwd, dat ik soms vergeet hoe bijzonder het eigenlijk is.

Met mijn vader maakte ik mosselen klaar – een kunstje dat hij van zijn moeder had geleerd. Terwijl mijn vader en ik met de achterkant van een mes op de mosselen tikten (hij leerde me dat de mosselen die nog goed zijn, dan langzaam dichtgaan) vertelde mijn moeder dat het mooi is dat die traditie nu op mij overgaat. Op elke andere dag was het een doodnormale opmerking geweest, maar vandaag voelde het als iets groots, iets ontroerends.

Tijdens het eten wilde ik ze zeggen hoeveel ik van ze hield. Ik zei het niet, zoals ik wel vaker de dingen niet zeg die ik eigenlijk wil zeggen, dus schrijf ik het hier op, zoals ik wel vaker de dingen opschrijf die ik niet gezegd krijg. En als ik mijn ouders de volgende keer weer zie en ze dit stukje gelezen hebben, zal mijn moeder erover beginnen en iets liefs zeggen. Mijn vader zal zwijgen, maar naar me kijken met een blik die alles zegt.

Nadat we uitgegeten waren en ik de placemats in de kast opborg, dacht ik aan het fotoboek dat in die kast stond, met alle foto’s die er wel zijn: mijn jonge ouders die voor het grote raam op het vliegveld staan, de eerste keer dat ik in de armen lag van twee mensen die al zoveel van me hielden, nog voordat ze me kenden, de thuiskomst met die oude, witte Citroën waarin mijn ouders toen reden.

Ook dacht ik aan alle verhalen die mijn ouders hadden verteld over mijn aankomstdag: hoe zenuwachtig ze waren, dat ze van de mevrouw van het adoptiebureau hoorden dat ik zo onstilbaar had gehuild in het vliegtuig, dat een groepje nonnen me had getroost, hoe stil ik was toen ze me eindelijk vast mochten houden. Dat zijn de dingen die ieder jaar weer worden verteld en die ik later zelf ook door zal vertellen.

En misschien zal later, hopelijk heel veel later, blijken dat het niet meer uitmaakt dat ik niet weet hoe het eigenlijk begonnen is. Dat het eigenlijk alleen draait om de dingen die wel zijn opgetekend. En dat het mooi is gebleken.

Zo mooi, dat ik bijna niet zal geloven dat het echt gebeurde.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman