Aftellen

In het eerste jaar van mijn stadsdichterschap werd ik overal waar ik kwam voorgesteld als ‘de nieuwe stadsdichter van Amersfoort’. Nieuw is kennelijk een rekbaar begrip, want na een half jaar was dat kakelverse er wel af, wat mij betreft, maar het deerde me niet want ik had de allermooiste baan die ik me kon wensen, in de stad waar ik zo ongelofelijk veel van hield.

Toen ik al een jaar in het dichterlijke zadel zat, vroeg een vriendelijke, duifgrijze presentatrice in de coulissen van een theater aan me of ik na een jaar nog steeds zenuwachtig was, of dat de spanning ondertussen wel weg was. Ik weet nog dat ik de presentatrice zo kalm mogelijk vertelde dat gezonde spanning een voorwaarde is voor een goede voordracht, maar dat ik altijd te gespannen raak als mensen me vooraf vragen of ik zenuwachtig ben. Ze glimlachte ongemakkelijk, liep naar het licht, en kondigde me aan als ‘Twan de Vet, stadsschrijver’. Het was een wonder dat ik nog op durfde te komen.

In mijn tweede jaar vroegen mensen vooral of het nog steeds beviel, het stadsdichterschap, en daar antwoordde ik altijd eerlijk op. Heel vaak vond ik het leuk, maar soms worstelde ik ook met hoe ik de functie precies wilde invullen, wat voor gedichten ik wilde schrijven, hoe ik de kwaliteit van mijn gedichten hoog kon houden. Het stadsdichterschap is niet alleen maar mooi, maar soms ook moeilijk, ingewikkeld en broos. Ondanks de twijfels over mijn werk en hoe ik me moest opstellen, hoewel die twijfels me wel scherp hebben gehouden, was het altijd een eer. Zo’n erefunctie is iets geweldigs, maar ik heb er altijd voor gewaakt om die titel niet groter te maken dan het is, getracht te voorkomen dat de gedichten ondergeschikt raakten aan het verschijnsel.

Nu zit ik in mijn laatste maanden – daar was ik me helemaal niet van bewust, tot mensen de laatste paar weken steeds vaker aan me vroegen hoe lang ik nog moet, wanneer ik afzwaai. Over een half jaar mag ik het stokje doorgeven, maak ik plaats voor een andere dichter. Dan ben ik weer gewoon Twan Vet, en zal daar niets achteraan komen.

De laatste paar dagen heb ik veel teruggedacht en teruggelezen – ik schrijf vrij traag, maar het verbaasde me hoeveel stadsgedichten ik de afgelopen twee jaar had geschreven, hoeveel plekken ik heb bezocht, het aantal mensen dat ik heb mogen ontmoeten. Ik heb het stadsdichterschap een beetje als een roes ervaren, maar wel een hele fijne.

Toen ik door het mapje met stadsgedichten klikte, merkte ik dat ik vooral aan de kleine momenten de beste herinneringen heb. Begrijp me niet verkeerd: de grote evenementen en gebeurtenissen waren ook bijzonder, indrukwekkend en mooi, zo denk ik meteen aan de indrukwekkende herdenking in Kamp Amersfoort, de herbenoeming van de burgemeester, de interviews met de kranten, de halfvolle zalen, maar juist de kleine momenten, waarop de inwoners van de stad heel dichtbij voelden, staan me nog het beste bij.

Er was de begrafenis van een geboren en getogen Amersfoorter waar ik een gedicht mocht voordragen, er waren de middelbare scholen waar ik langsging en in gesprek ging met de leerlingen, er was het vrouwenkoor waarmee ik in een prachtig klooster voorlas, er waren prachtige openingen van tentoonstellingen in het Rietveldpaviljoen, er was een jonge dichter die ik onder mijn hoede mocht nemen, er waren lieve mailtjes van lezers, er was de vrouw die me na een voordracht vertelde dat ze al mijn gedichten in de krant uitknipte en voorlas aan haar dementerende man, er waren de voordrachten in buurthuizen voor een handjevol mensen die luisterden voor honderd – er was veel, heel veel.

Ik ben nog niet weg: tot januari mag ik nog schrijven voor de golvende, bruisende, veranderende stad die Amersfoort is, voor mij nog altijd de mooiste stad van dit land, en voor de bijzondere mensen die er wonen. En dat zal ik doen, met alles wat ik heb, zoals ik de afgelopen twee jaar heb gedaan.

Mijn stadsdichterschap loopt dan wel langzaam af: eigenlijk heb ik nu pas het gevoel dat ik écht begonnen ben.

Beeld: Chanou van Kampen

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD. De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman