Ansichtkaart

In een la bewaar ik de ansichtkaarten die mensen me ooit hebben gestuurd. Omdat ik een poging deed om de vuilstort die ooit mijn bureau was op te schonen – in de hoop dat het ook op mijn eigen leven af zou stralen – kwam ik ze weer tegen.

Een vriend was neergestreken aan het Gardameer, mijn broertje vertoefde in Curaçao, een vriendin verbleef in een pittoresk dorpje in Spanje – paperassen van mensen die de wereld wilden zien, en gingen.

Op de achterkant hadden de afzenders kleinmenselijke, beknopte reportages geschreven over het weer, de omgeving, en wat ze allemaal hadden gezien. De krappe berichtjes gaven de gepolijste toeristenfoto’s wat meer kleur, bliezen leven in de vlakke stockfoto’s. Dat het goed met ze ging, zo schreven ze, en dat ze genoten. En hoe het mij verging.

Nadat ik nog meer van die bestaansbewijzen door mijn vingers had laten gaan, bleef ik steken bij een ansichtkaart van Malta. De ansichtkaart had me ruim vijf jaar geleden bereikt, en was van Een. Ook zij schreef over de omgeving, wat ze allemaal had gezien, en haar belevenissen, maar sloot af met het gegeven dat ik het meeste al wist, natuurlijk. En met drie kusjes.

Ik had al een tijdje niet meer aan Een gedacht, al bewoont ze nog steeds vrij hardnekkig de onderlaag van een deel van mijn gedachten. In de vijfde klas kruisten onze levens, voor Habemus Pizza, naast het Sint-Pietersplein. Na onze ontmoeting zagen we nog amper iets van Rome, omdat onze blikken vergroeiden met het scherm van onze telefoons en we alleen maar aandacht hadden voor de gevleugelde berichten die we elkaar stuurden.

Eenmaal terug in Nederland spraken we zo vaak af, als we konden. Ik weet nog hoe mijn hart als een technobas in mijn borstkas bonkte als ik in de trein zat om haar te zien, hoe ik geloofde dat ik zeker wist wat geluk was toen ze me de eerste keer aanraakte, hoe de verliefdheid in me groeide tot ik het gevoel had dat ik nooit meer in mezelf zou passen.  

Ik was nog nooit zo verliefd geweest. Maar zoals het met bijna iedere eerste liefde af moet lopen, liep het ook met ons af: we gaven elkaar op en liepen uit tot een bijzaak in elkaars bestaan.

Misschien is het de vertekening die altijd optreedt bij herinneringen aan een eerste liefde, maar ik denk dat ik me nooit meer zo heb verloren in iemand, als in Een. De weerhaken die aan die eerste liefde zitten, sloegen zich in mijn geheugen, en kwamen nooit meer los, van hoeveel meisjes ik daarna ook heb gehouden.

Ik keek net zo lang naar de ansichtkaart, tot de bootjes in de haven op de foto zwarte, dunne streepjes werden en begroef me in haar laatste woorden: dat ik het meeste al wist. Dat was toen, dacht ik, toen we elkaar elke dag spraken, van ieder detail, iedere gedachte, iedere minuscule gebeurtenis uit elkaars leven op de hoogte waren.

Alles wat er over was gebleven op dat kleine, breekbare moment waarop ik de ansichtkaart in mijn handen had: haar levensteken uit Malta. Heel even dacht ik aan hoe ons leven nu had kunnen zijn, als we nog samen waren geweest. Maar: ik had geen idee waar ze nu uithing, wat ze deed, wat ze dacht. Ik wist alleen dat er een tijd was geweest waarin ik het meeste van haar had geweten.

Met moeite legde ik de ansichtkaart op de stapel en borg die stapel op in de la, die ik zo zacht, zo teder, zo pijnloos mogelijk mijn bureau weer inschoof.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman