Buurjongens

I
‘Heb jij wel eens een meisje van de onderkant gezien?’
‘Mijn achternichtje,’ antwoordt Maarten.
‘Hoe was dat dan?’ vraag ik.
‘Ik krijg misschien een brommer.’
‘Hoe was dat dan?’ dring ik aan.
‘Gewoon, wel normaal denk ik. Het was in het kleedhokje bij het zwembad.’
Ik denk aan de lekkere dunne frietjes die ik daar altijd eet.
Maarten en ik slenteren over het landweggetje vlakbij onze huizen.
‘Ik krijg dus misschien een brommer,’ zegt hij.
‘Ja.’
Er vliegen ganzen over ons hoofd.
‘Ik vond laatst een blaadje,’ zeg ik, ‘tussen mijn vaders platen. Ik zag niet zoveel, aan hun onderkant. Vooral veel haar.’
‘Dan is het een oud blaadje. Tegenwoordig is het kaal.’
Kaal… Ik zie het kale hoofd van mijn opa voor me, vol rimpels als hij fronst. Hij fronst bijna altijd.
‘Was je nichtje ook kaal?’
Maarten gooit wat stenen in de sloot.
‘Niet echt. Ze had gewoon nog niet zoveel.

 II
Op dinsdagochtend fiets ik altijd alleen naar school. Maarten heeft het eerste uur vrij. Hij zit al in de vijfde en heeft tentamens.
De wind staat sterk, auto’s vliegen langs me. Links ligt de rivier, rechts de weilanden en oude boerderijen. Het land waar ik opgroeide. Met Maarten, alles met Maarten. Toen hadden we dezelfde leeftijd. Toen bestond onze wereld alleen nog uit gras, bossen die ontdekt moesten worden, slijmerige kalveren die uit hun moeder kwamen, chips op zaterdagavond, crossen om het huis.
De stad beïnvloedt nu alles. Niet alles is meer Maarten en ik. Hij gaat naar kroegen, hij draagt een leren jack.
Waarom ga ik er altijd vanuit dat altijd alles voor altijd is?


III
Vanuit mijn zolderraampje zie ik het busje van Maartens vader staan, met een aanhanger vol meubels. Maarten omhelst zijn moeder en stapt rechts in.
Vorige week zag ik hem voor het laatst. Hij kwam naast me rijden op zijn brommer. Hij inhaleerde diep en blies de sigarettenrook in mijn gezicht. Hij liet me achter in de stank van zijn brommer.

Anne Marijn Voorhorst (1992)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.