Cooligan

Op een terras aan de Nieuwmarkt praatte ik met Laura over haar nieuwe boek. Ik had de eerste versie ervan te lezen gekregen en was enthousiast – de best mogelijke uitkomst wanneer een bevriende schrijver om je mening vraagt.

De kritiekpuntjes die ik had sloten aan bij Lau’s eigen vermoedens – de best mogelijke uitkomst voor een schrijver die een vriend om zijn mening vraagt, dus onze afspraak was vooral gezellig.

Toen de serveerster vroeg of we nog iets wilden drinken keek ik op mijn horloge: tijd om de metro te pakken naar Duivendrecht, waar Marisca me zou oppikken om naar Friesland te rijden. Het verdriet van de Zuiderzee, ga erheen als je nog iemand van zijn kaartjes kunt beroven, want de voorstelling is strak uitverkocht.

Op station Nieuwmarkt was het rustig, lijn 54 beloofde er binnen drie minuten zijn. Ik verheugde me op de rit, zocht een muziekje uit voor in mijn oordoppies. Marisca zou broodjes halen bij die fijne Surinaamse zaak naast de Makro; ik hoopte op kippenhart en levertjes, bakkeljauw, zoutvlees met kousenband.

Toen de metro aankwam en vertraagde werd ik een zijwaarts schommelen in de treinstellen gewaar, alsof een groot gewicht zich daarbinnen van de ene naar de andere kant verplaatste. Het piepen van wielen op rails nam af en een gebulder werd waarneembaar. Ik nam mijn audiodopjes uit en deed een stap terug van de rand. De deuren schoven open; niemand stapte uit. Ik liep naar de ingang en keek naar een wand van mannenvlees. Ajaxshirtjes spanden om bovenlijven als condooms om lome strandpikken.

Ritmisch gebrul bulkte door de hal. Ik geloof dat de fans zongen, maar ik kon er geen taal van maken. Omdat ik niet wist wanneer de volgende 54 zou komen en of het daarin rustiger zou zijn, omdat Marisca op me wachtte en die heerlijke broodjes ongetwijfeld al aan het afkoelen waren, stapte ik in. De deuren sloten achter me en smeerden me over twee bezwete ruggen uit.

Ik had nog nooit tussen voetbalfans gestaan. Hoewel het metrostel steeds harder wiegde, het gebrul luider werd en de mannen maat hielden door tegen de ruiten te beuken, voelde ik geen angst. Ook de twee Rangersfans die tussen de Ajacieden stonden leken zich niet bedreigd te voelen, ze zongen eigen clubliederen tegen die van de Amsterdammers in en werden geinend door de meute heen en weer geduwd.

In al die beweging kwam ik steeds verder naar achter te staan. Toen Duivendrecht werd omgeroepen, besefte ik dat mijn halte vóór die van de Bijlmer Arena lag. Hoe zou ik ooit op tijd de deur bereiken? Ik zuchtte, overwoog Marsica te appen dat het toch iets later werd, maar kon mijn armen niet bewegen.

Ik zou hier tussen de marshmallowmannen moeten hangen – mijn voeten raakten de grond niet meer, ik werd hooggehouden in een vleesbankschroef – tot we bij de Arena waren en daarna een metro terug moeten nemen, als station Arena nog geen oorlogszone was geworden. Er zaten barsten in het glazen schot waartegen mijn rug gedrukt werd en de aardman met de sloopkogelknuist naast me was erin geslaagd een diepe afdruk van zijn knokkels over te brengen op het plafond.

De metro vertraagde al voor mijn station toen ik voelde dat er iemand naar me keek. Wat schichtig maakte ik oogcontact met de aardman. Kilootje of 140; het puntje van zijn kale kruin maakte een perfecte gelijkbenige driehoek met zijn schouderkoppen, en ik besefte hoezeer ik de versmalling die een nek heet altijd voor lief genomen had. De pupillen van de man waren verwijd en spierkabels leken te worstelen onder de stoppels op zijn kaken.

Het voelde onverstandig om oogcontact te houden, maar er gebeurde iets achter die zwarte schijven: daarbinnen werden berekeningen gemaakt. De deuren schoven open en de aardman kantelde zijn kop. Zijn wenkbrauwen gingen omhoog, zijn mondhoeken krulden op en ik kreeg de zachtaardigste knipoog die ik ooit van een man ontvangen heb. Een van zijn graafmachineklauwen landde op mijn schouder en met zijn andere hand maakte hij een doorgang vrij tussen zijn stamgenoten, waardoor ik nét op tijd uit de wagon kon stappen.

Op het perron draaide ik me om. Ik wilde hem bedanken, tenminste naar hem zwaaien, maar de deuren gleden toe, de metro trok op, een sleep koele lucht voortrekkend die met me opging tot ik de trappen naar beneden nam. Ik bliepte mijn ov-kaart tegen een poortje en ging buiten op een betonblok zitten. Een minuut later draaide de zwarte Mazda van mijn vriendin de Kiss & Ride op.

Marisca leunde over de passagiersstoel heen en duwde het portier voor me open. Ik rook kippenlever, als ik me niet vergiste ook bakkeljauw. Als die broodjes koud geworden waren, dacht ik, dan zou ik ze vanaf hier nooit kunnen ruiken. Met een huppeltje stapte ik in.

Terwijl we de Kiss & Ride uit reden wenste ik voor het eerst in mijn leven dat een voetbalteam zou winnen. En dik ook. Vier-nul, als zo’n score een mogelijkheid was, bij voetbal.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs).