Correcties

Vorige week lag voor de zoveelste keer een dikke envelop van mijn uitgever op mijn deurmat. Toch weer mijn hele manuscript, vermoedde ik toen ik hem opraapte. En inderdaad, uit de envelop kwam mijn manuscript, met daarin duizelingwekkend veel gestreep met potlood en rode pen. De definitieve versie had ik een tijdje terug ingeleverd. Althans, dat dacht ik. Het moest alleen nog langs de persklaarmaker.

‘Natuurlijk zullen we je alle veranderingen voorleggen’, zei mijn redacteur. Ik was in de naïeve veronderstelling dat dat een kort lijstje zou worden. Maar op de meeste van de 180 bladzijden staan tussen de 25 en 50 correcties. De afgelopen zomerse dagen lagen mijn vrienden dus op het strand terwijl ik aan mijn manuscript zwoegde.

Een groot probleem in mijn manuscript is spreektaal. Mijn personages hebben weinig tot geen verheven gedachten. Het zijn geen gepijnigde kunstenaars of vastgelopen schrijvers. Het zijn ambtenaars, boze pubers en roddelige buren. Ze zitten vol woede en vooroordelen en denken aan weinig anders dan zichzelf. Ergens vind ik het niet passend om hen al te mooie volzinnen te laten uitspreken. Maar ik heb al eerder gemerkt dat ik daarmee op weerstand stuit. Een politieagent zei in eerdere versies: de een heb zijn koffie nu eenmaal sterker dan de ander. Die zin heb ik al lang geleden geofferd, nadat iedereen die hem ooit onder ogen kreeg ervan gruwelde. Een passant in het verhaal gebruikt het woord kankermongooltje. Dat is al door mijn eigen redacteur en nu ook door de persklaarmaker verbeterd in kankermongool. En ik kijk ernaar en ik kijk er nog een keer naar, maar zie niet waarom dat beter is. Mijn Marokkaanse probleemjongere zegt kankerhomootje, kankermongooltje. Waarom dat geen mooi Nederlands is, is me een raadsel.

De anonieme corrector is de afgelopen dagen in mijn hoofd een transformatie ondergaan. In de tropische hitte verwerd ze eerst tot een gebochelde schooljuffrouw die me op de vingers sloeg met een liniaal. Maar voortploeterend door de eindeloze stroom correcties (de daling van de temperatuur hielp ook), heb ik haar een beetje leren kennen. En, zo leerde John Steinbeck mij ooit, waar mensen elkaar beter leren kennen, kan vijandigheid niet anders dan verdwijnen. Mijn corrector moet een vrouw zijn, meen ik uit sommige opmerkingen op te maken. Ze is een paar jaar ouder dan ik, want stelt voor het woord diens te gebruiken. Ze rookt, schrijft ze. Ze heeft een koelkast en geen ijskast. Ze vindt pik een mooier woord dan lul. Ze vindt mijn grapjes niet leuk, want ze schrijft in de kantlijn dat iemand keihard bevruchten een “beetje een onhandige woordcombinatie” is.

En (begin je zin nooit met en) wat moet er nog veel gebeuren aan mijn manuscript. Er zitten spelfouten in, zoveel meer dan ik dacht. En erger: ik blijk een aantal constructies consequent verkeerd te gebruiken. Het meisje waar iedereen van houdt, moet zijn: het meisje van wie iedereen houdt. ‘Hoi’, zegt hij en steekt zijn hand uit, moet zijn: ‘Hoi’, zegt hij en hij steekt zijn hand uit. Anders is het ongrammaticaal, schrijft de corrector streng in de kantlijn. Bah ongrammaticaal, dat moeten we niet hebben. Toch twijfel ik als ik door het manuscript loop. Is het echt fout?

Natuurlijk zou het jammer zijn om mijn lezer af te stoten met lelijk taalgebruik. Want taalfouten kunnen hard aankomen, weet ik. Taal zit diep geworteld in onze identiteit. Wie lichtvaardig daarmee omspringt, schopt tegen onze ziel. Ding dong ding! Alle reizigers worden verzocht uit te stappen in Leiden. Van zulke omroepberichten krimpen bepaalde treinreizigers in elkaar van ellende. Wordt verzocht, wordt verzocht!, willen die schreeuwen. Anderen vinden het een prima zin. Zo verloedert onze taal. Althans, volgens een (lezende?) elite die bepaalt wat de standaard is.

Zelf vind ik taalverandering mooi. Verandering geeft onze taal die complexe diepgang die het (hem, haar) zo veelzijdig maakt. Taal is geordende chaos, even onvoorspelbaar als grillig, zo ontstaan uit een vergeten verleden. Ooit was de verleden tijd van lachen loech. Er moet dus een tijd geweest zijn dat lachte de nekharen van schooljuffen overeind bracht. Tegenwoordig is ook het voltooid deelwoord gelachen op de schop. Glimgelachen, nee: geglimlacht (gezweefvliegd? Gestofzuigd?). Nog een paar generaties afwachten en we zeggen gelacht (gevliegd, gezuigd). Zo werd schoen ooit van meervoud-van-schoe, tot enkelvoud-van-schoenen. Want nieuwe generaties zijn de taalkundige avant-garde. Ze interpreteren anders, (ze) voeren nieuwe woorden in, (ze) lappen regels aan hun laars. Het lijkt me geen toeval dat de Jeugd van Tegenwoordig een stel taalkundige grootmeesters is. Althans, dat vind ik.

Baby now waarom waarom waarom ben jij zo stil?
Ben ik vergeten boodschappen te halen?
Of de rekenings betalen?

(uit: Het Mysterie van de Koude Schouder, De Jeugd van Tegenwoordig).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.