Saaie mensen, dat zijn de beste. Voor een goed verhaal moet je bij hen zijn.
In de film Being There, gebaseerd op een roman van Jerzy Kosinski, moet tuinier Chance (Peter Sellers) na het overlijden van zijn rijke werkgever de ommuurde tuin van zijn baas verlaten. Nooit heeft Chance – middelbare leeftijd – met eigen ogen gezien wat zich achter de tuinmuren afspeelt. Saaaai! Nu moet hij via de voordeur naar buiten want zijn werkgever is er niet meer. Daar buiten loopt ’t goed af. Chance wordt bijna president van de Verenigde Staten en hij kan lopen over water.
*
Het zijn onverwachte gebeurtenissen – ziekte, werkloosheid, sterfgeval, brand, misdaad, oorlog – die van een nobody een schitterend filmkarakter kunnen maken. Ook in ons eigen voortkabbelend bestaan kan zo’n externe factor van u en van mij een profeet, een moordenaar maken. Dan staan we eindelijk op en begint ons verhaal.
Hendrik Nicolaas Werkman (1982–1945) was zo’n onopvallende man: een goed huwelijk, kinderen en als chef werkzaam op een drukkerij. Lopend in zijn donkere pak over de Grote Markt van Groningen groette hij links, rechts en tikte daarbij tegen zijn hoed. Dat hij een groot liefhebber was van jazz, van moderne kunst en zich identificeerde met Charlie Chaplin, daar liep hij niet mee te koop. Zelf maakte hij ook kunst, soms schilderijen, maar vooral kleurige prints vol sterk gestileerde of geheel abstracte composities van in de ruimte zwevende letters, cijfers, contouren en symbolen.
Er zijn kunsthistorici die na Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan Hendrik Nicolaas Werkman als nummer vier plaatsen in de rij van Nederlands grootste kunstenaars. Daar ben ik het mee eens.
Maar toen werd het oorlog.
Het ging slecht met de zaak. De moffen vonden drukkers verdacht, want zij konden persoonsbewijzen vervalsen. Maar wat Werkman tijdens de Bezetting het meest trof was de repressie tegen joden. Hij had onder hen vrienden en klanten, voor wie hij jarenlang kalenders, geboortebewijzen en ander drukwerk voor maakte.
Hendrik Werkman trok zich terug op een zolder, zes verdiepingen hoog aan Lage der A nummer 13. Daar richtte hij een privédrukkerijtje in en zou daar gedurende de oorlogsjaren zijn mooiste werken maken, zoals de serie Vrouwen-eiland en de reeks Chassidische legenden.
*
De NOS-televisie vroeg of ik een scenario over Werkman wilde schrijven. Ik wist vrijwel niets over hem, besloot het te proberen en noemde de film Ik ga naar Tahiti, Werkman was namelijk gek op de schilder Paul Gauguin, met zijn liefde voor dat Zuidzee-eiland en de heerlijk geurende vrouwen aldaar. Werkman noemde zijn atelier Mijn Tahiti.
In de eerste filmbeelden zien we Werkman – muzikaal gesteund door Burnin’ the Iceberg van Jelly Roll Morton – over de doodstille Lage der A lopen. Een zware, zwarte handschoen daalt neer op zijn schouder.
Waar ga we naar toe?
Ik… ga naar Tahiti.
Dan gaan wij met uw mee.
Naast Werkman staan daar jodenjager Pieter Schaap en zijn assistent Capelle. Er volgt een beklimming over al die trappen naar het atelier, waarbij Schaap grapjes maakt over zijn geboorteplaats Zandvoort. Daar verhuurde hij strandstoelen aan katholieke meisjes met katholieke kontjes. Eenmaal boven bekijken Schaap en Capelle al die rondom opgeprikte, kleurrijke prints van Werkman.
CAPELLE: In plaats van de schilder hebben ze z’n werk maar opgehangen!
SCHAAP: Wie maakt er in godsnaam een groen paard met rode stippen?
WERKMAN: Ja, dat valt zeker niet goed te praten, mijnheer Schaap, maar ik heb geen persoonsbewijzen vervalst.
SCHAAP: En wat hebben we hier? Cha… ssii… Chassidische… dat is toch joodse Schweinerei!
Welke beeldend kunstenaar kan zijn werk verdedigen als er een gewapende poëzieloochenaar voor hem staat? Is deze strijd tussen beul en slachtoffer dus bij voorbaat beslist? Dat zou jammer zijn, want in een goed filmverhaal moeten slachtoffers ook een wapen hebben, moet een goede afloop voelbaar en/of denkbaar zijn, anders is er geen spanning.
Maar Werkman kan geen kant op, dus móést ik een ontsnapping voor hem verzinnen: een letterlijke vluchtweg, of een goddelijke ingreep. Dat werd niemand minder dan Charlie Chaplin.
Tegen de binnenkant van zijn schedel projecteert Werkman oude filmscènes waarin Charlie – een eeuwig slachtoffer – het wint van zijn vaste vijand de reus Big Bully die, oh toeval, sprekend lijkt op Pieter Schaap. In de film Easy Street bijvoorbeeld buigt Chaplin een gaslantaarn om, drukt het hoofd van Big Bully in de korf en zet de gaskraan open. Om deze herinneringen moet Werkman tijdens zijn arrestatie en latere gevangenschap weer glimlachen. De slapstick lijkt hem te verzoenen met zijn lot. Daarbij zorgt de gelijkenis tussen Werkman en Chaplin en tussen Big Bully en Pieter Schaap voor wat lichtheid in de film.
*
Drie dagen voor de bevrijding van Groningen, op 10 april 1945 – de Canadezen staan al in Assen – wordt Hendrik Nicolaas samen met negen anderen door Pieter Schaap op het Mandeveld te Bakkeveen middels een nekschot doodgeschoten. Geen aangifte, geen proces, geen veroordeling. Dat groene paard met rode stippen werd hem fataal.
Stalen vuist en rappe hand, zo is het volk van Nederland!
Het laatste wat Hendrik Werkman – én dus ook de camera – ziet voor hij sterft, is een vrolijk dravend paard aan de overzijde van het veld, een wit paard met zwarte vlekken.
*
- Ik ga naar Tahiti, dramaturgie Dick Willemsen, met in de hoofdrollen Hans Dagelet en Peter Tuinman, werd geregisseerd door Gerard Verhage en bekroond met de Prix Italia voor het beste internationale televisiedrama van seizoen 1992.
- Pieter Schaap werd in 1949 ter dood veroordeeld en geëxecuteerd.







