De motor volgens Hanlo

Dit plaatje van Jan Hanlo plakte ik een keer bij een stukje over liefdesgedichten. Mijn opa reageerde toen met een enthousiast app’je: ‘een motor, en wat voor een: de Vincent Rapide. In de jaren ’50 uitgebracht en direct een succes maar wel voor de rijken onder ons. Derhalve niet echt veel verkocht maar daardoor heden ten dage “goud” waard.’ Een originele Vincent kost tegenwoordig ongeveer veertig mille, en dat is dan een opknappertje.

Hanlo reed zich helaas op zijn Rapide de dood in, maar daarvóór schreef hij een en ander over zijn motoren. Hij had een renstal met behalve de Rapide ook een Vincent Black Shadow en Black Knight, die om beurten in zijn – jawel – slaapkamer mochten staan. Hij koesterde zijn scheurijzers als kinderen: ‘Wanneer ik ’s avonds of ’s nachts met een schuin oog kijk naar mijn Vincent, dan klopt mijn hart soms even sneller (…) Dat ontwerp, die onopgesmukte macht, die reserve. En al dat werk dat er door mij aan besteed is, al die reeksen van uren om ze van allerlei slijtage- en valpartijgebreken weer goed te krijgen, ze in vorm te brengen te onderhouden. Die smalle bouw, die 56 pk, die doodlangzame stationaire slag, de moeiteloze flits naar de energie door meer gas … Het zijn wezens.’

Volgens Hanlo kwam de ziel van de motorrijder door het onvermijdelijke gesleutel ook in de motor terecht: ‘de machine van hem van die hem trouw is tot in zijn verval, hem opbouwt, repareert – in een woord: die hem het meest waardeert.’ Het met grote liefde vervangen van een onderdeeltje beschreef hij zo dat er geen twijfel over bestaat dat een machine ‘een soort ziel’ heeft. Een ringetje van de benzineleiding vervangen is dan ineens een operatie met chirurgische precisie en toewijding. Na vallen en op staan noteerde Hanlo: ‘De schuif weer losgedraaid, het derde klingeriet ringetje erbij gelegd, het ging ten slotte nog met vreugde. En … droog! De tank weer gevuld, eerst – eindeloos wijzer – niet te veel. Maar: droog. Kurkdroog. Ook bij volle tank. Tank-pen niet vergeten. En de stand van de schuif was precies goed. Geen druppel. Geen glimmertje, geen sijpeltje. Kurk- en krukdroog.’

Mijn opa rijdt een Moto Guzzi California III, waaraan hij ook onafgebroken sleutelt. Zoals het de Kunst van het Motoronderhoud betaamt is er altijd wel een verbeterpuntje, of het nou een nog mooiere claxon is of de plaatkoppel – maar dan héb je ook wat. In de woorden van mijn opa: ‘Hij spoort als een jonge hond!’, zoals hij zelf altijd een jonge hond is gebleven.

Wanneer ik zelf kennismaakte met dit ‘Italiaans meesterwerk’ (mijn opa weer) weet ik niet precies, maar ik was heel erg jong. De Guzzi maakte onmiddellijk een grote indruk, zoals Hanlo schreef na met 160 een auto met twee jongetjes achterin te hebben ingehaald: ‘En onvergetelijk zijn de vier ogen, de twee dromerig-verblufde snuitjes van die tweeling(?) die daar links van hun een meneertje op een “brommer” hun snelle Pa (…), hun snelle droomkamertje, zagen voorbijglijden.’ Later zat ik bij mijn opa achterop en leerde ik het geluid van de Guzzi kennen, dat onvergelijkbaar is met dat van een Vincent, eigenlijk niet te vergelijken met welke andere motor dan ook. Nog altijd sla ik aan als ik een Guzzi in de buurt hoor naderen – als een jonge hond.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.