De omslag

Heel onverwacht konden we naar het huisje in Zeeland. Ik nam het aanbod meteen aan en merkte dat mijn gezin nog even moest wennen aan de verrassing. B en Nadim houden er niet van als je hun planning omgooit, maar niet lang na onze aankomst in Zuidzande bleken ze zich daar wel overheen te kunnen zetten.

We reden naar de duinen en liepen daarna over het verdronken land, waar dit jaar geen plukje lamsoor of zeekraal te vinden was. Aan de vloedlijn, waar het normaal stikt van de broze strandschelpen met zoete weekdieren erin, was niets lekkers te vinden. Terwijl Ada, Nadim en B steeds vrolijker over het zand raceten, op de voet gevolgd door een keffende Otis de Hond, werd ik steeds stiller.

Op de treden naar de strandtent stond een lange rij gezinnen. Omdat er maar 50 man op het terras mocht, liepen de wachttijden op tot een halfuur. We besloten ijsjes te kopen en weer naar het huisje te gaan. Ik wilde geen ijs, ik wilde koud bier en een bitterbal. Terwijl de kinderen tevreden likten, bromde ik met grote passen over de duinen naar de parkeerplaats.

‘Heb je haast?’ vroeg B.

Ik kon alleen mijn schouders optrekken. De natuur is machtig mooi, maar als er niks te foerageren valt, verveel ik me er te pletter. ‘Sorry,’ zei ik, en wilde me omdraaien, glimlachen, maar mijn oog viel op een lange, bleekgroene stengel naast het pad. De stengel had een forse, donkergroene knop.

‘Asperges,’ zei ik. Ik liet me op mijn knieën vallen en plukte er een pond van, dat ik teder in het rugtasje van Ada vleide. Haar knuffels en make-upsetje moesten maar even in de zakken van mijn jas.

Thuis liet ik een pan loeiheet worden; ik coatte de asperges in olie en bestrooide ze licht met zout voor ik ze op het plaatstaal roosterde. At er de helft van op en legde de rest op een bord voor mijn gezin.

Ik bracht het bord naar de tafel, die mooi in licht en donker werd verdeeld dankzij een lage, gele zon. Een paar dagen Zeeland was – bleek nu uit alles – een heel goede beslissing. Wie het zien wil, vindt altijd bekrachtigingen van zijn keuzen.

Ik zou mezelf niet als een rasoptimist omschrijven, maar een zegen is wel dat ik alles wat me overkomt duid als punten in een stijgende lijn. Ik zie dus ook nare gebeurtenissen als een onderdeel van opbouw.

De laatste tijd vraag ik me vaak af hoe dat komt, want ik geloof niet in een master plan dat buiten me bestaat. Misschien is het iets biologisch, een predispositie tot voorwaarts streven. Alle organismen evolueren tenslotte, er is – als je het grote plaatje erbij pakt – alleen maar groei.

Toen we uitgegeten waren, wandelden we over het pad met de populieren naar het oude huis van Anne en André. Anne is nu weduwe en woont in Amsterdam. Het huis werd verkocht aan Belgen die er een heel smaakvolle verbouwing op loslieten. Ik dacht aan André, die in zijn laatste jaren bijna alles wat er om hem heen gebeurde in een afbouwend kader leek te plaatsen. Zou dat iedereen overkomen die zich niet lang verwijderd weet van de dood?

Was het omslaan van die predispositie een noodzakelijke stap naar het accepteren van een einde?

We liepen door de tuin van André, en daarna weer naar huis. De zon ging onder aan het einde van de dijk, en ik besefte dat ik die omslag meer vreesde dan ouderdom en ziekte, meer dan de dood zelf misschien.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.