De stillige stad

De stille stad is niet zo stil meer tijdens deze lockdown. Onze wandelingen voelen veel minder als zwerven door het centrum op een zondagochtend in 1992. Gisteren – bij elke afslag mag een van ons een richting kiezen – liepen we over de Nieuwendijk.

Nadim kaartte aan dat de straatnaam op het bordje verkeerd gespeld was. ‘Er staat een n teveel,’ zei hij. ‘Dat is dom zeg.’

Otis de Hond pieste tegen de pui van gesloten blauwewafelwinkel en er trok een genotsrilling door me heen alsof ik zelf een lang opgehouden plasje deed.

‘Daar,’ riep Nadim, en rende voor me uit. Samen met zijn zusje hield hij stil voor een winkel die Kingdom of Sweets heette.

Na een lange, bijna kerkelijke stilte, zei hij dat áls ik hem nou één keer héél gelukkig wilde maken, dat we dan hier – al was het dus maar voor één keertje – naar binnen moesten. Een eiland van snoepbakken wachtte in het midden van de helverlichte ruimte, een witte schep in elke bak. Aan een rek op de kop van het eiland hingen puntzakken.

Ik trok aan Ada’s hand maar kreeg haar niet verplaatst, alsof haar tangohakjes aan de klinkers zaten vastgelijmd. Haar kleine mond stond open in een perfecte o.

‘Papa,’ zei ze. Verder kwam er niets.

De kinderen eten te veel snoep, maar nu ons hele leven overhoop ligt lijkt een vulling meer of minder niet veel voor te stellen. In de avond zou zelfs een verlenging van de maatregelen worden aangekondigd. Maar hun monden zaten nog vol zure mat en lolly. Zelf had ik bij de buurtwinkel gekozen voor Fireballs, van die pikante kaneelkauwgomballen.

‘Nee,’ zei ik. ‘Jongens. We hebben net al snaai gekocht. We doen dit een volgend keertje, oké?’

Opvoeden in overleg met je kinderen werkt slecht, in tijden van corona.

Ik heb stellige beloften moeten doen. Meerdere eden afgelegd. Ada bleek het taaist, maar uiteindelijk trok ik ook haar als een klemmend deurtje los. De geuren van chemische aardbei en grape (naar echte druiven ruikt of smaakt dat spul nooit) graaiden naar onze mouwen, plukten aan onze kragen tot we een van de inwisselbare stegen in liepen die naar de Nieuwezijds leiden. Een wat terneergeslagen stilte was over ons driemanschap gekomen.

Nadim, ook wel bekend als de Snoepduitser omdat hij alles altijd voor zichzelf wil houden, reikte in zijn jaszak en trok er een transparante verpakking met twee toverballen uit. Hij schudde de smurfblauwe bollen in de palm van zijn hand en gaf er eentje aan zijn zus. Er leek iets te veranderen aan het gewicht van onze stilte.

Misschien kwam er een avondklok, dacht ik. Misschien zouden de mensen voorlopig niet meer bij elkaar op bezoek mogen. Maar wat het OMT ook zei, de regering zou er niet eens aan dúrven denken om de coffeeshops, slijterijen en snoepwinkels te sluiten. Terwijl we de Nieuwezijds overstaken, stopte ik een verse Fireball in mijn mond.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. In 2021 komt Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.