Een halferect discussiepuntje

Had het papieren landschap net het haakjesgeneuzel achter de rug, zit het nu met de in blauwe waterverf gedoopte ganzenveren van Anton Dautzenberg. Hij schreef een pleidooi (NRC, 25 juli jl.) voor de rol van de schrijver in het publieke intellectuele debat, om de Nederlandse literatuur een impuls te geven, en rakelde daarmee de eens in de zoveel tijd oplaaiende engagementsdiscussie weer op. Betrokkenheid zou immers de heilige graal van de vastgelopen letteren zijn.

Daan Stoffelsen reageerde halfslachting op Dautzenberg met zijn ‘10 Redenen Waarom De Discussie Over Engagement In De Literatuur Onzin Is’, een stukje dat veel weg heeft van de stellingen bij het proefschrift van een bovenmeester. Punt 1 is niettemin to-the-point: ‘Engagement wordt in deze discussie gebruikt als maatschappijkritiek, discussie over politiek, normen en waarden. De grote onderwerpen. Nooit over rouw, moederschap, depressie, bevallingen. De betrokkenheid van schrijvers bij deze intieme onderwerpen is minstens zo essentieel (…)’. Een schrijver hoeft nu eenmaal geen kant te kiezen in bijvoorbeeld het conflict tussen Israël en Palestina om zijn bevlogenheid met de échte, niet-papieren wereld te laten zien. Grasduinend in mijn eigen stukjes – alleen ter illustratie, ik ben tenslotte geen schrijver – vond ik de volgende kleine onderwerpen: het gebruik van de vulpen, de financiële crisis, algemeen fatsoen, guilty pleasures, de mannenknot, digitale privacy. Op al die vlakken koos ik bepaalde stellingnamen, maar die gingen niet gepaard met de grootse connotaties van ‘het engagement’.

Engagement is geen sine qua non voor goede literatuur. Toch kan geen boek zonder een dosis engagement, zelfs een l’art-pour-l’artmeerstwerk als The Picture of Dorian Gray ontkomt er niet aan. Oscar Wilde stelt in zijn inleiding dat zijn roman en hij volstrekt autonoom zijn: ‘The author is the creator of beautiful things. (…) No artist desires to prove anything. (…) No artist has ethical sympathies. (…) All art is quite useless.’ Ook dat is een geëngageerd uitgangspunt, al was het maar vanwege de zonderlinge onmaatschappelijke bijklank ervan.

Het belangrijkste is voor schrijvers om hun eigen weg te gaan. Konstantin Paustovskij verwoordt het evenwicht tussen betrokkenheid en de literatuur in ‘Mijn eerste verhaal’ uit De gouden roos zo: ‘Schrijver kan slechts hij zijn die de mensen iets nieuws, belangrijks en interessants te vertellen heeft, iemand die veel ziet wat anderen ontgaat. (…) In die tijd stelde ik de literatuur boven het leven niet het leven boven die literatuur. Ik moest mij eerst tot berstens toe met leven vullen.’ Hij wendde zich tot het adagium van Maxim Gorki, godfather van de geëngageerde literatuur, en ging ‘onder de mensen’. Het was voor Paustovskij geen doel op zich om onder het volk een geschikt onderwerp te vinden, want hij ging vervolgens schrijven ‘niet omdat ik mij dat als taak had gesteld maar omdat ik daar met mijn hele wezen naar verlangde’. Schrijvers zijn erbij gebaat hun eigen vuur te volgen, en dat kan geëngageerde literatuur opleveren – tegen de stroom in en tegen de klippen, of juist helemaal niet. Dat is niet af te dwingen, Dautz.

Schrijvers zijn er níet bij gebaat dat er iemand opstaat om ze te vertellen dat ze overtuigd moeten zijn. In plaats van gemakzuchtige marktconforme boekjes te fabrieken zouden schrijvers volgens Dautzenberg meer engagement moeten tonen in hun werk. Alleen zo kan de ingekakte literatuur weer worden vlotgetrokken. Quod non. Zo’n opgeheven vingertjes als van Dautzenberg, die stemmingmakerij stevent af op een averechts effect. De kans op onoprechte betrokkenheid is dan levensgroot. Iedere schrijver op zoek naar zijn eigen hype-engagement, want dat willen lieden op het marktplein natuurlijk wel lezen, dan komt er nog hardnekkiger haakjesdictatuur. Als er gehoor wordt gegeven aan zijn oproep en er allemaal boeken met explosieve thema’s verschijnen, ontploft bovendien de boekenmarkt door al die neppe engagement-pour-engagementwerkjes. Hypocriete eendagsvliegen.

Dautzenberg zegt zich juist te verzetten tegen literatuur die zich voegt naar de grillen van het marktplein. De invuloefingen in de categorieën kookboek, lifestyle en thriller – waar lezend Nederland schijnbaar om zit te springen – hangen hem danig de keel uit. Dat is zijn goed recht, alleen is zijn remedie een wassen neus. Hij wenst dat schrijvers zich nu compromisloos gaan committeren op een heel specifieke manier, namelijk op z’n Dautzenbergs: ‘Schrijvers moeten durven irriteren, verwarren en verwonden, ongeacht de gevolgen.’ Lees: schrijvers moeten streven naar provocatieve betrokkenheid. Als voorbeelden draagt hij Reve en Hermans aan, die op inhoudelijk vlak veelal geen concessies deden. Ze kwamen beiden voor het gerecht, de een voor godslastering, de ander voor belediging van de katholieke gemeenschap – en werden vrijgesproken. Maar het beste voorbeeld is Dautzberg natuurlijk zelf, met zijn lidmaatschap van pedofielenvereniging Martijn. Hoe prijzenswaardig die steunbetuiging ook was in het licht van het vrije denken, het kostte hem zijn bedrijf en collega’s, daarvoor in de plaats kwam derving van boekverkoop en neveninkomsten. De literatuur schoot er ook geen fluit mee op, of het moest met Rafelranden van de moraal zijn.

Volgens zijn collega’s trekt Dautzenberg zelf een te grote broek aan. Hoog van de toren blazend heeft hij daar een standaardantwoord op: ‘Van een te kleine broek kun je onvruchtbaar, zelfs impotent worden.’ Gelukkig weet hij wel een probaat middel tegen de nauwsluitende skinny jeans, en dat is niet de te grote broek waarin hij slechts een halferect discussiepuntje weet op te richten. Zijn remedie is een engagerend paardenmiddel dat we allemaal kennen van de spamfilter in de mailbox: er moet viagra in!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.