Feestdagenverdriet

Wies zit in kleermakerszit in mijn stoel. Ze heeft haar handen strak om de kop thee die ik net voor haar heb gezet heen gevouwen, alsof ze probeert te versmelten met het servies.

‘Mensen zeggen altijd dat ze het aan een oogopslag zien, of hoe iemand binnenstapt, en dat ze dan ineens weten wat er gaat gebeuren. Maar ik wist van niets. Zelfs toen Bob het had gezegd, voelde het niet echt.’

Ze begint te huilen, heel zacht, geruisloos haast, alsof ze denkt dat stil verdriet beter te dragen is dan luidruchtig verdriet. Als ik naar haar kijk besef ik ineens dat ik haar nog nooit heb zien huilen, al kennen we elkaar al een jaar.

We gingen een tijdje met elkaar uit, tot we allebei tot de conclusie kwamen dat we beter zouden werken als vrienden. Heel soms sliepen we daarna nog met elkaar, maar daar hielden we om ethische redenen mee op toen zij met Bob begon te daten en ik met Peer.

‘Sorry, ik weet dat je niet kunt omgaan met huilende vrouwen,’ fluistert Wies, lacht door haar wenen heen in de hoop het verdriet te stelpen en begint daarna toch te snikken. Het zijn zachte piepjes, een muis waarin geknepen wordt. Door haar tranen heen blijft ze zich verontschuldigen. Zelfs in haar eigen verdriet denkt ze meer aan een ander dan aan zichzelf.

‘Kom hier,’ zeg ik en gebaar naar de leegte naast me op de bank. Ik druk haar lijf tegen me aan, sla een arm om haar heen, veeg wat tranen van haar wang. Wies maakt zich klein, lijkt zich bijna op te rollen, legt haar hoofd, dat zwaar voelt omdat pijn ook een massa heeft, op mijn schouder.

We zeggen niets. Zij omdat ze nog steeds huilt, ik omdat ik nooit goed weet wat ik moet zeggen in dit soort situaties. Ik mompel wat lieve dingen, probeer alle clichés te omzeilen, stamel wat over tijd en verdriet en mannen.

‘En straks is het ook nog Kerstmis,’ zegt Wies heel zacht. Haar huilen is inmiddels gestopt. ‘Welke lul maakt het nou uit, vlak voor de feestdagen? Ik voel de blikken vol medelijden van mijn ouders tijdens het diner nu al, hoe mijn moeder overdreven lief gaat doen en mijn vader nog meer grappen maakt dan normaal, om me af te leiden – je weet hoe ze zijn.’

‘Ze bedoelen het goed,’ probeer ik. ‘Maar Bob blijft een lul.’

Wies knikt instemmend. Ze recht haar lijf wat, draait zich, gaat liggen, laat haar hoofd rusten in mijn schoot. Haar ogen, die rood zijn en groot, lijken leeg als ik naar beneden kijk.

‘Ga jij naar Peer op tweede kerstdag?’ vraagt ze, zonder me aan te kijken, ‘of is het daar nog niet serieus genoeg voor?’

Ik zwijg even, weeg mijn antwoord af, wil niet tegen haar liegen.

‘Nee,’ antwoord ik na een paar seconden.

‘Oh.’

‘Ja.’

Wies komt overeind, zet zich weer naast me, kijkt me aan. Haar verdriet lijkt ineens verdwenen, omdat ze denkt dat ik ook getroost moet, maar dat is niet zo. Dat zal ik haar later wel vertellen, maar nu gaat het om haar.

‘Als je eerst langs mij komt op tweede kerstdag, dan fietsen we samen naar mijn ouders,’ stelt Wies, alsof ze de vraag gesteld heeft, mijn antwoord daarop ja was. Dan geeft ze me een zoen op mijn wang.

‘Vinden je ouders dat wel leuk?’ vraag ik en ze lacht, gelukkig lacht ze weer, al is het maar een flauwe krulling van haar mondhoeken.

‘Ik denk het wel. Mijn moeder vond jou volgens mij toch al veel leuker dan Bob.’

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten. Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

De komende jaren werkt hij aan een dichtbundel, een non-fictieboek en een roman bij De Bezige Bij.

Foto: Roderique Arisiaman