Gat in het geheugen

Naar aanleiding van Armistice, het einde van de Eerste Wereldoorlog dat op 11 november wordt herdacht, heb ik The Enemy at His Pleasure  van S. Anski  herlezen. In Nederland is Anski (pseudoniem van Sjloime Zanvel Rappoport, 1863-1920) vooral bekend door zijn toneelstuk Dibboek, maar hij schreef ook  romans, verhalen, gedichten en memoires. In 1914 kreeg hij opdracht hulp te organiseren voor de joodse bevolking van Galicië (het Oostenrijkse deel van Polen). Gedurende vier jaar reisde hij door dit grensgebied, van stad naar stad en van dorp naar dorp, om de joden daar te voorzien van voedsel, medicijnen en geld. Dat was dringend nodig, want de joodse inwoners van Galicië waren er ellendig aan toe. De streek werd in de loop van de oorlog veroverd en heroverd door Kozakken, Duitse soldaten, Poolse huurlingen en Russische revolutionairen, aan wier antisemitisme het Galicische jodendom weerloos was overgeleverd.

Tijdens zijn tochten hield  Anski een dagboek bij. Hij sprak met boeren en militairen, met ambachtslieden en ministers, met artsen en profiteurs. Zijn bevindingen verschenen in 1925 in het Jiddisch als  Choerbn Galietsieje (De verwoesting van Galicië) en werden pas in 2002 voor een groot publiek toegankelijk in een Engelse vertaling. Het verslag van Anski vult een leemte in de moderne geschiedschrijving, want er bestaat geen volledig overzicht van de misdaden die in de Eerste Wereldoorlog werden begaan tegen joden. Ook in de televisieserie  ‘In Europa’ van Geert Mak kwam de kwestie niet aan bod. Toch werden er naar schatting 600 duizend joodse burgers gedeporteerd en 200 duizend vermoord.

Kort na het uitbreken van de vijandelijkheden namen  Russische troepen Gallicië in. Binnen een paar maanden rukten ze op tot aan Praag in het westen en Hongarije in het zuiden, een spoor van pogroms trekkend door dat deel van Europa.  Vooral onder de joden in Galicië hebben Russische soldaten beestachtig huisgehouden. Dat gebeurde doorgaans als gevolg van aantijgingen van de plaatselijke Poolse bevolking, die beweerde dat joden zich massaal schuldig maakten aan verraad en spionage. Een Russische rekruut:  ‘Wanneer de Russen kwamen, plaatsten de christenen een ikoon voor het raam. Een huis waar geen ikoon stond was dus herkenbaar als een joods huis, en de soldaten konden het verwoesten zonder voor straf te hoeven vrezen. Toen onze brigade door een dorp marcheerde, ontdekte een van onze soldaten een huis op een heuvel en zei tegen onze commandant dat dat waarschijnlijk het huis van joden was. De commandant gaf zijn mannen bevel naar het huis te gaan. Ze openden de deur en vonden zo’n twintig joden die halfdood waren van angst. De soldaten voerden ze naar buiten en de commandant riep: “Snij ze aan stukken! Hak ze in de pan!” Dat heb ik niet afgewacht. Ik rende weg en bleef rennen tot ik erbij neerviel.’

Uit het boek van Anski blijkt dat joden destijds, net als in de Tweede Wereldoorlog, slachtoffers bij uitstek waren van afpersing, verkrachting, verdrijving en moord. Ook de schrijver zelf liep groot gevaar. Hij bewoog zich als een oorlogsverslaggever tussen de linies en ontsnapte meermaals op het nippertje aan een dodelijk bombardement.

Op zeker moment doet hij de stad Sokal aan, waar de Russen zojuist een pogrom hebben aangericht. Een van de joden in Sokal vertelt hem: ‘Ze hebben Sokal verwoest. De hele week hebben ze geplunderd en geranseld. Een paar honderd joden zijn afgeslacht of verminkt. De klokkenmaker is vermoord, hij laat een vrouw en acht kinderen achter. Er zwerven weeskinderen door de bossen, en niemand weet wat er met hun moeders is gebeurd. Een Kozak heeft met zijn zwaard de arm van mijn dochter afgehakt.’ In Sokal geeft Anski de overlevenden geld voor voedsel en medicijnen, waarna hij vertrekt. De stad staat in brand. Hij begeeft zich naar het station, waar chaos is uitgebroken, en brengt de nacht door in de openlucht. ‘Het omringende vuur werd heviger. De vlammen raasden rond het station. Ik zag een grote brand vlakbij en liep erheen. Het was een heldere nacht, met een volle maan aan een met sterren bezaaide hemel. Toen ik me omkeerde, zag ik iets ongelofelijks: honderden stenen, rood, brandend, met gloeiende Hebreeuwse letters. Eerst begreep ik niet wat ik zag. Maar toen besefte ik: dit was een joodse begraafplaats. De gloeiende zerken weerspiegelden de vlammen. Het was een buitengewoon schouwspel, alsof generaties joden van eeuwen her uit het verleden waren teruggekeerd naar deze mystieke maanverlichte nacht, om met vlammende ogen te staren naar de verschrikkingen waardoor hun sjtetl werd ingesloten.’

 

S. Anski, The Enemy at His Pleasure

Metropolitan Books, New York 2002.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.