Joseph Roth – Leviathan – slot

(Lees vanaf het begin)

Acht dagen later stierf ze, voorzeker als gevolg van de hersenschudding! En niet geheel ten onterecht meende Nissen Piczenik dat zijn vrouw niet alleen aan een hersenschudding was overleden, maar ook omdat haar leven van geen enkel ander leven van wie ook maar op de wereld afgehangen had. Niemand had gewild dat ze zou blijven leven, en dus stierf ze.

Nissen Piczenik de koraalhandelaar was nu weduwnaar. Hij rouwde op de voorgeschreven wijze om zijn vrouw. Hij kocht een van de duurzaamste grafstenen voor haar en liet er een tekst op aanbrengen. En hij zei ‘s ochtends en’ s avonds het begrafenisgebed op. Maar hij miste haar beslist niet. Hij kon zelf eten en thee bereiden. Hij was niet eenzaam zolang hij maar alleen was met de koralen. Het enige wat hem zorgen baarde, was het feit dat hij het koraal bedrogen had met haar valse zuster, het celluloidkoraal, en aan zichzelf verraad gepleegd had met de koopman Lakatos

Hij verlangde naar de lente. En toen die eindelijk kwam, besefte Nissen Piczenik dat hij tevergeefs verlangd had. Andere jaren kwamen zijn klanten elk jaar vóór Pasen, als de ijspegels rond het middaguur begonnen te smelten, in hun krakende karren en rinkelende sleeën. Ze hadden koralen nodig voor Pasen. Maar nu was het lente, de zon straalde warmer en warmer, de ijspegels aan de daken werden korter en de smeltende sneeuwhopen langs de weg kleiner – maar klanten kwamen er niet. In zijn eikenhouten kast, in zijn koffer op wielen, die enorm was en voorzien van ijzerbeslag op de vier wielen naast de kachel stond, lagen de kostbaarste koralen in hopen, bundels en kettingen. Maar geen klant te zien. Het werd warmer en warmer, de sneeuw verdween, de zachte regen daalde neer, de viooltjes ontsproten in het bos en de kikkers kwaakten in de moerassen: maar geen klant verscheen.

Het was rond deze tijd dat een zekere vreemde verandering in de aard en het karakter van Nissen Piczenik voor het eerst werd opgemerkt in Progrody. Ja, voor het eerst begonnen de mensen in Progrody te vermoeden dat de koraalhandelaar een rare, een excentriekeling was – en sommigen verloren hun aloude respect voor hem, en sommigen lachten hem zelfs in het openbaar uit. Veel goed volk uit Progrody sprak niet meer van: kijk hier heb je de  koraalhandelaar – ze zeiden: daar heb Nissen Piczenik – hij was een groot koraalhandelaar.

En dat was zijn eigen schuld. Omdat hij zich niet gedroeg hoe het een weduwnaar het in zijn rouw betaamt. Zijn wonderlijke vriendschap met de matroos Komrover had men geaccepteerd, en zijn bezoek aan Podgorzevs beruchte herberg eveneens, maar men kon zijn huidige cafébezoek niet zomaar voor kennisgeving aannemen. Want Nissen Piczenik zat sinds de dood van zijn vrouw bijna iedere dag in Podgorzevs café. Hij raakte met overgave aan de honingwijn. En daar die op zeker moment wat te zoet gaat smaken, mengde hij het met wodka. Soms zat een van de lichte meisjes naast hem. En hij, die nooit een andere vrouw had gekend dan zijn overleden vrouw, hij die nooit een ander verlangen had gekend dan zijn eigen vrouwvolk – zijn koralen dus – te strelen, te sorteren en aaneen te rijgen, voelde zich nu bij tijd en wijle in de troosteloze herberg van Podgorzev aangetrokken tot het goedkope, blanke vrouwenvlees, de prachtige hete vergetelheid die de lichamen van de meisjes uitstraalden, zijn eigen bloed dreef de spot met de waardigheid van zijn burgerlijk en gerespecteerd bestaan. En hij dronk, en hij streelde de meisjes die naast hem zaten, en trok ze soms op schoot. Hij verlustigde zich in hen, op dezelfde wijze als wanneer hij met zijn koralen speelde. En met zijn sterke, roodharige vingers beroerde hij minder vaardig, zelfs idioot onhandig de tepelhoven van de meisjes, die zo rood waren als koraal. En hij verslonsde – zoals men zegt – snel, steeds sneller, bijna van dag tot dag. Hij voelde het zelf, zijn gezicht werd dunnetjes, zijn magere rug kromde, hij maakte zijn jas en laarzen niet meer schoon, hij kamde niet langer zijn baard. Hij sprak zijn gebeden elke ochtend en avond mechanisch uit. Hij voelde het zelf: hij was niet langer de grote koraalhandelaar, hij was Nissen Piczenik, ooit een groot koraalhandelaar.

Hij voorvoelde dat over jaar, over zes maanden, de risee van de stad zou zijn – en wat moest hij hier? Niet Progrody, de oceaan was zijn thuis. Dus op een dag nam hij het dodelijkste levensbesluit. Maar eerst vertrok hij op een dag naar Sutschky – en kijk: in de winkel van Jeno Lakatos uit Boedapest zag hij al zijn oude klanten, en ze luisterden eerbiedig naar het gebrul uit de grammofoon, en ze kochten celluloïd koralen voor vijftig kopeken per ketting.
‘Nou, wat heb ik je een jaar geleden verteld?’, riep Lakatos tegen Nissen Piczenik. ‘Wil je nog tien poed, twintig, dertig?’ Nissen Piczenik zei: ‘Ik wil geen nepkoralen meer. Wat mij betreft, heb ik nog uitsluitend met echte van doen.’

8

En hij ging terug naar huis, naar Progrody, en ging stilletjes en in het geheim naar Benjamin Broczyner, die een reisbureau runde en scheepstickets verkocht aan emigranten. Het waren vooral deserteurs en straatarme joden die naar Canada en Amerika moesten emigreren van wie Broczyner leefde. In Progrody was hij de vertegenwoordiger van een Hamburgse rederij.
‘Ik wil naar Canada!’, sprak koraalhandelaar Nissen Piczenik  ‘zo snel mogelijk’.
‘Het eerste schip, de ‘Phoenix’ vertrekt over veertien dagen uit Hamburg. Voor die tijd zullen we je de papieren bezorgen,’  zei Broczyner.
‘Dat is goed’, antwoordde Piczenik.  ‘Hou het onder ons.’
En hij ging naar huis en stopte alle koralen, de echte, in zijn rolkoffer.
Maar hij legde de celluloid koralen op de koperen voet van de samovar, stak ze aan en keek toe hoe ze blauwachtig en stinkend verbrandden. Dat duurde lang, hij had meer dan vijftien poed aan nepkoraal. Daarna lag er  een enorme berg zwart en grijs gekruld as. En rond de petroleumlamp in het midden van de kamer kronkelde grijsblauwe rook van het celluloid.

Zo nam Nissen Piczenik afscheid van zijn vaderland. Op 21 april ging hij in Hamburg aan boord van de stoomboot Phoenix als tussendeks passagier. Het schip was vier dagen onderweg toen de catastrofe plaatsgreep: misschien herinneren sommigen van jullie het zich nog. Meer dan tweehonderd passagiers gingen met de Phoenix ten onder. Zij verdronken natuurlijk. Maar wat Nissen Piczenik betreft, die destijds ook ten onder ging, kun je niet beweren dat hij gewoon maar verdronk zoals de anderen dat deden. Hij is veeleer – kun je met een gerust hart zeggen – teruggekeerd tot het koralal, naar de bodem van de oceaan waar de machtige Leviathan zich krult. En als we het bericht willen geloven van een man die door een wonder – zoals ze zeggen – destijds aan de dood ontsnapte, moeten we melden dat Nissen Piczenik lang voordat de reddingsboten vol waren al overboord ging naar zijn koraal, zijn echte koralen.

Wat mij betreft, ik wil dat wel geloven. Omdat ik Nissen Piczenik kende, en ik weet zeker dat hij tot de koralen behoorde en dat de bodem van de oceaan zijn enige thuis is geweest.

Moge hij daar in vrede rusten naast Leviathan tot de komst van de Messias.

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.