Kleine Joseph Mitchell cursus in 4 stukjes: week 1. Antropoloog

Aan de rafelranden van mijn stad, Amsterdam, liep ik door een arboretum, een museum voor bomen waar in dit geval toevallig ook veel mensen begraven liggen. De Nieuwe Ooster. Ik noteerde gezien te hebben onder meer: De Japanse Zelkova, de Tranenden, Finse Meelbes, Roomappel-Pawpaw, de Doornloze valse Christusdoorn, de Prieeliep, de Amerikaanse vogelkers, de Krimlinde, Servische spar, zakdoekjesboom, Schijncipres, Mongoolse Linde en o, nog zoveel meer. Ik deed die fascinatie op langs Hadrian’s Wall en kom er niet meer vanaf.

Om kennis te vergaren is zo’n bomenmuseum voor mij wel een aardige oplossing. Ik praat niet zo graag en bomen hoef je alleen maar te bewonderen. Als er een bordje bijstaat hoef je zelfs niemand te vragen: wat voor boom is dit?

Als Joseph Mitchell door de stad liep waren mensen zijn doelwit, vreemde vogels vooral, hij wilde mensen leren begrijpen en leren kennen. Over een maand verschijnt het levenswerk van Joseph Mitchell bij twee uitgevers, bij Lebowski en bij Van Oorschot. We hebben zijn oeuvre opgedeeld omdat we vonden dat we er samen meer aandacht voor konden vragen, en omdat we gewoon allebei een Mitchellboek wilden maken. Die hard fans. Nu heb je dus de eigenaardige en leuke gegevenheid dat Van Oorschot u van harte aanraadt vooral een Lebowski boek te kopen, en vice versa. Je koopt ze trouwens het beste alletwee. Ze lijken op een tafel liggend totaal niet op elkaar, maar in de boekenkast zijn het tweelingen.

Mitchell’s reportages van de jaren ’30 en ’40, zijn evenzovele zoektochten naar de levenswijzen van een deel van zijn stadsgenoten: drinkers bijvoorbeeld, en kroegtijgers in de verhalen die rond café’s spelen, maar ook de wereld van doven en slechthorenden, de groepen Mohawk-indianen die in de bouw komen werken. Mitchell praat niet een keer een halfuurtje met iemand, maar ik denk voor de meeste verhalen zeker een keer of dertig, twee uur lang, hij praat met de mensen zelf, de mensen die met ze te maken hebben, de mensen die last van ze hebben etc. Mitchell is een stadsantropoloog met een romancierblik.

img_3802
De levende gezellig weerspiegeld tussen de vergledenen… en onderaan de Mercedes.

Aan het begin van de Nieuwe Ooster staat een paar heel grote graven die ik veronderstel zigeurgraven te zijn, of graven van leden van de Sinti of Romabevolking, zoals je nu zegt.

Sinds ik Mitchell gelezen heb weet ik waarom er op dit graf een Mercedes staat. Ik las nooit kleurrijker portretten dan die van Mitchell over de Gypsykings in New York  schreef. Oordeelloos, informatief, uitputtend, veelomvattend,  intrigerend, hilarisch, nadenkend.

‘De Machwaya zijn grote-autozigeuners. Ze rijden in Cadillacs, Packards en Lincolns. De andere zigeuners hebben een gezegde dat als een Machwaya zou moeten kiezen tussen een gloednieuw Ford en een oud barrel van een Cadillac waarvan je al moeite hebt hem aan
de praat te krijgen, hij voor de Cadillac zou kiezen.’ (uit: McSorley’s wonderbaarlijke saloon, vertaling Dirk-Jan Arensman)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Menno Hartman

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.