Leningrad 1941-1944

 

Over de weiden gaat een dodenmis.

’t Geheime boek van Ruslands genesis

– Waarin het lot der wereld ligt besloten –

Is uitgelezen en voorgoed gesloten.

 

De wind waart door de steppe, ritselt zacht:

O martelaar! O Rusland! Goedenacht!

                                                           Marina Tsvetajeva

                                                           Vertaling: Margriet Berg en Marja Wiebes

 

In een zopas uitgezonden televisieprogramma schijnen twee presentatoren elkanders vlees te hebben gegeten. Dat deden ze, zo zeiden ze, omdat ze nieuwsgierig waren naar de smaak van mensenvlees. Ze lieten uit hun lichaam operatief een stuk vlees verwijderen, dat vervolgens gebraden ter tafel gebracht en genuttigd werd. Het gaat om een  wetenschapsprogramma dat ‘Proefkonijnen’ heet. Filosoof Bas Haring, die deel uitmaakt van het wetenschappelijke panel van het programma, heeft het experiment verdedigd tegen lieden die het eten van mensenvlees beschouwen als moreel verwerpelijk. ’Een vraag stellen en die vervolgens beantwoorden,’ aldus deze denker in dagblad Trouw, ’dat is wetenschap.’

            Ik doe ook aan denken, maar ik heb er niet voor doorgeleerd en er evenmin mijn beroep van gemaakt. Dat is misschien de reden waarom ik aan zo’n experiment niets bewonderenswaardigs of schokkends kan ontdekken. Ik vind het hooguit zorgelijk dat er programmamakers bestaan die  ten behoeve van de kijkcijfers geen middel schuwen, ook zelfverminking niet.

Naar de uitzending heb ik niet gekeken. Ik was verdiept in een van de boeken die ik onlangs cadeau heb gekregen, Leningrad. Tragedy of a City Under Siege, 1941-1944 van Anne Reid. Het is de geschiedenis van het beleg van Leningrad door de Duitse Wehrmacht, een blokkade die duurde van juni 1941 tot januari 1944. Toevallig komt daarin een hoofdstuk voor dat in zijn geheel gaat over de consumptie van mensenvlees: ’Corpse-Eating and Person-Eating’. In de Russische taal wordt onderscheid gemaakt tussen troepojedstvo, dat is het eten van lijken, en ljoedojedstvo, dat is het vermoorden van mensen met het doel die op te eten. In Leningrad (tegenwoordig weer Sint Petersburg) kwam zowel het een als het ander voor, niet omdat men nieuwsgierig was naar de smaak van mensenvlees, maar omdat men gek werd van honger. In april 1942, bijvoorbeeld, werden driehonderd mensen gearresteerd voor ’gebruik van menselijk vlees als voedsel’. De meesten hadden zich schuldig gemaakt aan het roven van lijken uit de vele massagraven in de stad. Sommigen hadden een gestorven familielid of collega gegeten. Een fabrieksarbeidster deelde het lijk van haar elfjarige zoon met twee vriendinnen. Een verpleegster werd betrapt op het stelen van geamputeerde lichaamsdelen uit de operatiekamer. Slechts in vierenveertig gevallen was er sprake van moord. Een moeder had haar achttien maanden oude dochtertje verstikt om zichzelf en drie andere kinderen te voeden. Een jongen had zijn grootmoeder met een bijl vermoord, waarna hij haar lever en haar longen had gekookt en opgegeten.

In februari 1942 waren er ruim zeshonderd arrestaties verricht voor het eten van mensenvlees, dat zijn er zo’n twintig per dag. Maar waarschijnlijk maakten veel meer Leningraders zich er schuldig aan zonder dat het werd ontdekt. De politie kon destijds nauwelijks haar werk doen, omdat veel agenten zelf van honger niet meer op hun benen konden staan of al in massagraven waren beland.

Anne Reid illustreert haar verhaal met dagboekaantekeningen die Leningraders gedurende de blokkade van hun stad hebben gemaakt. Het aangrijpendste dagboekverslag is dat van een zekere Jelena Kotsjina. Een week voor het begin van de belegering van de stad schrijft ze nog hoe  verliefd ze is op haar man Dima.  Op zijn vrije dagen, zo vertelt ze, is Dima een toegewijde vader. Hij kan er geen genoeg van krijgen om hun pasgeboren dochtertje te baden, te verschonen en pap te geven. ’Zijn gevoelige handen zijn daarin heel bedreven. De zon zet zijn haar in vlam en verlicht zijn gelukkige gezicht,’ zo heet het in juni 1941. Wanneer in september voedsel schaars wordt, staat Dima een deel van zijn rantsoen af aan zijn vrouw. ’In zijn middagpauze brengt hij me zijn lunch: een klein vleespasteitje en twee lepels aardappelpuree. Ondanks mijn protest dwingt hij me dat op te eten. ’’Alsjeblieft, eet, want jij moet borstvoeding geven. Maak je om mij geen zorgen, ik zit vol.’’ Maar ik zie dat dat niet waar is, alles wat hij eet is soep. Hij kan dit niet lang meer volhouden, en trouwens, ik heb elke dag minder melk.’

Begin oktober droogt haar melk op. ’De kleine huilt en rukt aan mijn borst als een wild dier, het arme ding! Nu geven we haar alle boter en suiker waar we met onze rantsoenkaart recht op hebben.’ Een week later merkt Jelena dat haar man in haar afwezigheid stiekem van hun noodvoorraad eet. In november raakt het gezin door de scheepsbeschuit heen. Er is dan alleen nog maar anderhalf pond gierst over. Omdat ze Dima niet meer vertrouwt, verbergt Jelena die zak gierst telkens als ze de woning verlaat, in de schoorsteen, onder het bed, onder de matras, maar haar man weet hem overal te vinden. In december is de gierst op. Dan moeten ze overleven van hun broodrantsoen van drie ons per dag, waarvoor ze urenlang in de rij moeten staan. Jelena maakt ‘soep‘ van water, broodkruimels en houtlijm. Aan tafel breken er ruzies uit. ‘Jij eet met opzet langzamer dan ik!‘ roept haar man. ‘Dat doe je om mij te tergen, ontken het maar niet, ik zie wel waarmee je bezig bent!‘ Hij wordt paranoïde en apathisch. Als een ‘defecte robot’  beweegt hij zich door de woning, zijn uitdrukking is ‘verwilderd’, zijn gezicht van oedeem gezwollen. Ook het gezicht van Jelena zelf, zo schrijft ze, ziet eruit  ‘als het achterste van een varken’. Geen van twee kan nog aan iets anders denken dan aan eten. Overdekt met luizen en koud tot op het bot, want het vriest dertig graden en er is geen brandstof, liggen ze in bed, met de ruggen naar elkaar, gesproken wordt er niet meer. ‘Zelfs met onze gewatteerde jassen aan is het onaangenaam om met elkaar in aanraking te komen.’

Leningrad. Tragedy of a City Under Siege, 1941-1944 voorziet in een behoefte. In het Westen overheerst nog steeds het beeld dat in de Sovjetperiode van de blokkade werd gegeven, dat van dappere eensgezindheid tegen een gemeenschappelijke vijand. Anne Reid maakt duidelijk dat die eensgezindheid een fabel is. Terwijl het gewone volk verhongerde, gingen partijbonzen en andere apparatsjiks zich te buiten aan paddestoelensoep met room, varkensgebraad met gestoofde kool, steur, kaviaar, kaas, gerookte ham en wijn. Geen van de leden van de nomenklatoera lag ’s nachts met een lege maag wakker. Zij werden niet geplaagd door waanzin en ze zouden er niet over hebben gepeinsd om zoiets te eten als mensenvlees.

 

Anne Reid, Leningrad. Tragedy of a City Under Siege, 1941-1944

Bloomsbury Publishing, London 2011

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.