In een café rijg je drankjes aan elkaar.
Bij Carmiggelt klinkt het zo: ‘de boekhouder zet ‘m elke dag dionysisch op, vult de delicate schemer van de kroeg met zijn schelle stem en wordt alleen geduld omdat hij zo’n goed klantje is. Hij begint altijd met een pilsje. De bestelling van de eerste borrel ontvalt hem vijf minuten later als een achteloosheid. Maar met die eerste begint een ketting, waaraan hij ‘s avonds om 10:00 uur nog staat te rijgen.’
Wanneer wij rustig bij elkander zaten
in de een of andre Amsterdamse kroeg,
wisten wij eigenlijk niet meer te praten
dan wat de dagelijkse dag ons vroeg.
Want, waar de één de late lucht gelaten,
de ander slechts de wilde meeuwen droeg,
schiepen drie zielen tijdens de hiaten
het zingend lied, en dat was ruim genoeg.
[…]
(Gerard den Brabander)
En even goed rijg je in je leven, café’s aan elkaar. Er is een eerste, er is een laatste en afhankelijk van je dorst zal daar van alles tussen zitten.
Mijn vader kieperde vroeger na zijn werk en voor het eten even twee jenevertjes naar binnen, ingeschonken op de ijskast. Daar bleef het dan ook bij.
De Reiger, Oorlam, De Ooievaar, Café Krom, Het Loosje, Bloemers, De Engelse reet, Brandon, het Molentje het zijn enkele van de mooie Amsterdams kroegen waar ik heb zitten rijgen, en waar dat nog steeds kan.
En dus heb ik een beeld van wat een mooi café is. Uit de vaste elementen kun je je ideaal samenstellen: in mijn café is een L -vormige bar, met erachter een ruimte met voorraad, een keukentje. Spiegels in de drankkast, zodat je tussen twee Schotse whisky’s naar een bezoeker kunt staren. Er zijn tussen de 4 en 10 tafeltjes. De vloer is van houten planken met schelpenzand erop gestrooid. Hoge ramen in een hoge ruimte. Het is een hoekpand. Je moet kunnen uitkijken over een gracht en een straatje. Er is een donker hoekje voor wij daar behoefte toe voelt. De kastelein heeft een speciale kwaliteit. Hij of zij is een filosoof. Laconiek, zwijgzaam. Niet te jong. Geen pusher maar steeds aanwezig als het nodig is. Dat is een vak. Geen student beheerst dat vak. De kastelein is meester in uitspreken van korte zinnen waar je alle kanten mee op kunt, geen gemeenplaatsen, maar vreemd filosofische meesterwerken die toch uit heel gewone woorden bestaan.
Er is en posterwand, die is zo dik als een dijbeen: decennia posters over elkaar heen geplakt. Het culturele leven in de hoofdstad maakt het café jaarlijks een paar millimeter kleiner. De vaste klanten zitten als een parlement uilen in hun glas te loeren. ‘Making love to his tonic and gin’ zong Billy Joel.
Gister zat ik in een café met een vrouw van 78 die fijntjes twee jonge klaren dronk terwijl ik mutsig aan mijn nulprocentje zat. ‘Zij smikkelde even uit haar kelkje op zo’n manier die tijdelijk geheelonthouders als ik het vuur aan de schenen legt,’ heet het bij Carmiggelt. En achter haar een man, eveneens uit Carmiggelt die ‘ouder was dan ik, maar miste de chagrijnigheid waarmee veel oude mannen hun niet langer gehonoreerd gelijk door het leven vervoeren.’
Ja het bestaat nog. Het Amsterdams café, en je mag het zelf vormgeven. Geen tapijtjes op de tafels, wel een bareitje voor 50 cent graag.
Het rijgen valt mij het meest op in een café: elk kroegbezoek vervolgt gewoon het vorige: het is een eigen universum met de tien vaste elementen in eindeloze afwisseling. De tijd staat niet stil maar gaat verder daar waar hij bij het vertrek uit de vorige kroeg gebleven was. Kroegtijd.
Die scharniert tussen de andere tijden, werktijd, vakantietijd, gezinstijd, kindertijd, relatietijd. Over of alcohol noodzakelijk is voor kroegbezoek ben ik nog niet uit. Een koffie of een thee kan ook. Maar enige beneveling helpt, al kan die goed opgedaan worden door traagheid van denken. Traagheid überhaupt. Een dromerige wereld is het eigenlijk. Daarom werkt gelijkvormigheid: god verhoede een ‘vormgegeven’, café, een nadrukkeljke omgeving weerhoudt het brein van doorrijgen in de stroom van Eerdere Cafés. En een overtreffende trap van wijze afwezigheid is een boek lezen in een café. Een binnenwereld in een binnenwereld. Een kroeg is een dromerige herhaling.
Het café moet zichzelf voegen naar het archetype van het café, zodat de bezoeker kan afdalen in alle cafébezoeken van zij leven. en dromen van een wereld die heel even alleen maar dat is.
Een goed meisje droomt
Zij droomde, zij trof hem in een café.
Hij las en zat te eten
en keek haar aan en zei tot haar:
e hebt het boek vergeten!
Toen knikte zij en keerde om
en lachte verstolen en stralend.
En zij ging de late straten op
en dacht: ik zal het halen.
De weg was lang. Zij liep en liep
en neuriede een liedje teder.
Zij klom in de woning en bleef er een tijd
en eindelijk ging zij weder.
En toen zij het café betrad
zat hij nog altijd te eten.
Hij zag haar komen en riep haar toe:
Je hebt het boek vergeten!
Toen stond zij lang en geschrokken stil
en kon het maar niet verstaan.
Dan knikte zij weer en ging naar de deur
om de weg nog eenmaal te gaan.
Zij was zo moe en ging en kwam
en zij had toch zo gaarne gezeten.
Hij zag nauwelijks op en hij zei alleen:
Je hebt het boek vergeten!
Gerard den Brabander
lezen:
Patrick Modiano, alles, geen boek zonder uitgebreid café bezoek .
Gilles van der Loo Café Dorian
*uit S. Carmiggelt Gedundrukt







