Moddergat

Er was meer dan een jaar voorbij sinds we met zijn allen aan één tafel aten, en bijna twee jaar sinds de laatste keer dat we met dit gezelschap de stad uit waren geweest.

Voorheen gingen we vaak naar het huis van Noors moeder op Terschelling, maar sinds de extra kinderen, partners en honden ons kwamen versterken passen we daar niet meer in. Dertien mensen en drie honden is een tall order voor elke vakantieplanner, maar Lauren vond een huis in Moddergat (Friesland); een huis dat in kleine appartementen was onderverdeeld, met een gezamenlijke keuken, zit- en eetkamer.

Ik had verwacht dat ik zou moeten wennen aan zoveel volk bij elkaar. Dat leek eerst niet zo te zijn en bij nader inzien wel. We waren getest en dus omhelsde ik iedereen bij aankomst, maar hoewel dat op geen enkele manier vreemd voelde, bleek zo’n toenadering nu iets waarvoor je soms kon kiezen, niet langer een vanzelfsprekendheid.

Ik merkte dat ik vaker dan voorheen op mezelf een boekje las, een luchtje ging scheppen. Sven had ook een gitaar mee en we speelden samen. Na een tiental jaren zonder muziek geniet ik daar de laatste tijd weer van, maar mijn handen willen nog niet echt. Ze voelen stram en een beetje lomp: alsof ik er oudemannenhanden overheen heb aangetrokken.

Luc was met zijn bakbrommer gekomen en maakte ritjes over de landweg met de bak vol vrienden en hun kinderen. Niemand krijste harder dan ik toen hij het ding op volle snelheid op één voorwiel liet balanceren. Nadim zat met een brede grijns naast me, zijn ogen groot en hongerig naar avontuur.

Hoewel het niet mijn plan geweest was, accepteerde ik mijn vaste rol als kok van onze groep. Met Noor reed ik naar de kutsuper in een naburig dorp, en een uurtje later zette ik de tafel vol met schaaltjes groenten. Ik merkte dat de complimenten van mijn vrienden me verlegen maakten; dat was nieuw.

Toen de avond gevallen was moesten er spelletjes gedaan worden. Ik heb een enorme hekel aan spelletjes, maar Jeroen kwam naast me zitten en kreeg een kostelijke lachstuip omdat iemand hem had laten blowen. Alle chocolade bleek op, en dus reed ik mijn vriend naar een pompstation op tien kilometer afstand, waarvan het winkeltje helaas gesloten was. Echt slecht was dat niet, omdat ik mijn mondkapje vergeten had en Jeroen niet uit zijn lachstuip kwam. Hij had daar met geen mogelijkheid verstaanbaar kunnen maken wat hij wilde.

De volgende ochtend werd er wad gelopen. Degenen die daarmee ervaring hadden besloten de wandeling thuis uit te zitten. Wadlopen is net als gewoon lopen, maar dan door een saaier landschap dat je ook nog keihard tegenwerkt. Na een uurtje werd er geappt of ik de wandelaars met de auto wilde komen halen. Onderweg, aan de dijk, verkocht een dame versgerookte palingen. Die laten liggen lukte niet: ze waren retevet en niet te zwaar gerookt.

Die avond ging ik vroeg naar bed omdat ik graag in stilte wilde lezen, en besefte pas de volgende ochtend dat ik zoiets voorheen nooit deed. Niemand had me geprobeerd tegen te houden; ook dat was nieuw.

Misschien, dacht ik terwijl we de volgende dag afscheid namen, was het nog te vroeg om de ware schade van de afgelopen anderhalf jaar op te maken.

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.