Moeder

Mijn moeder stapte met ferme tred door het zand. De honden zoefden voor ons uit als vierpotige straaljagers. Het miezeren sloeg snel om in een fikse regenbui, en ik had spijt dat ik bij de auto had gezegd dat een paraplu niet nodig was, en dat mijn moeder goedgelovig mijn advies had opgevolgd, terwijl zij veel vaker buiten is dan ik en de lucht beter kan lezen.

Vroeger liepen we vaak over dit strand, dat grensde aan de camping waarop we tot mijn vijftiende bijna alle zomers doorkwamen. Andere honden zwermden dan om ons heen, alsof ons gezin een deel van de roedel was, maar los van de generaties honden die bleven steken in het verleden was er weinig veranderd.

We waren wat ouder nu, dat wel, en ik ging nog zelden mee om te wandelen. Toen mijn moeder me vroeg ik weer een keer mee wilde gaan, had ik toegezegd, al wist ik niet zo goed waarom. We bespraken andere, grotere dingen dan jaren geleden, terwijl we over de strandjes slenterden en af en toe een stukje door een bosgebied liepen. Ik klaagde niet meer over de duur van de wandeling zoals ik vroeger altijd deed, zelfs niet toen we bij ‘mama’s boom’ aankwamen, het punt waarop mijn broertje en ik vroeger altijd terug mochten naar de camping om te voetballen, terwijl mijn ouders dapper verder stapten. Nu liepen we samen verder: ik voetbalde al lang niet meer.

We haalden wat herinneringen op over onze tijd op de camping, de mensen die we na ons vertrek nooit meer hadden gezien, hoe snel ons leven was veranderd in die paar jaar. Ze praatte wat over haar dag en ik zeurde wat over mijn schrijfbestaan. Hoopvol en met vertrouwen, zoals altijd, stelde ze me gerust dat het wel goed zou komen. Dat is het wonder van mijn moeder: hoe ze altijd moed houdt, altijd hoop heeft, altijd doorgaat.

Op de terugweg stapten we de dijk op, die glad was van de regen. Ik gaf mijn moeder een arm, terwijl ze zich hardop en moederlijk afvroeg waarom ik in vredesnaam schoenen met gladde zolen had aangetrokken. Toen ze heelhuids de bovenkant van de dijk had bereikt bleef ik even staan, terwijl zij verder liep. Zo gezond, fier en mobiel als ze nu vooruit liep deed me denken aan hoe ziek ze een jaar eerder was geweest, hoe trefzeker de dood al een vinger naar haar had uitgestoken.

Nadat we zelfs al een beetje afscheid van haar hadden genomen sterkte ze aan, joeg ze het veel te vroege einde van haar ziekenhuisbed en krabbelde op, al zou ze nooit meer helemaal dezelfde vrouw worden als voor haar opname. Maar ze was nog steeds mijn moeder, die stille kracht, een onmisbare steun. Ik dacht aan hoe een vriend die zijn moeder was verloren tegen me had gezegd dat hij vooral de kleine momenten miste, de nietszeggende ogenblikken die pas na het verlies zo veel waarde krijgen. En dat ik die moest koesteren, bewaren, onthouden, nu mijn moeder er nog is, omdat hij daar pas mee begon toen het eigenlijk al te laat was.

Een moeder, dacht ik, is een onmisbaar iets, en daarom is het zo ongelofelijk wreed dat er een moment komt waarop een kind zich los moet weken van een moeder, de schoot waarin je opgegroeid bent moet verliezen, de veilige haven die ze is op een dag de grond in moet zien gaan.

Maar nu nog niet, dacht ik, terwijl ze me vroeg om naast haar te komen lopen, in plaats van achter haar. Ik dichtte het gat dat tussen ons gevallen was. Ze sprak weer wat moedgevende woorden over de toekomst en zei dat ik misschien zelfs wat geld zou kunnen sparen, als het financieel beter zou gaan.

Ik knikte, wist dat ze gelijk had, maar was vooral bezig met het sparen van dit ogenschijnlijk kleine moment, onze gesprekken, de stilte die soms tussen ons viel. En hoe ik al die dingen zou koesteren, bewaren, onthouden.

Foto van Twan Vet
Twan Vet

Twan Vet (1998) schrijft poëzie, proza en liedteksten.

Zijn gedichten verschenen eerder in literaire tijdschriften zoals De Revisor, DW B en Het Liegend Konijn en in kranten zoals NRC en AD.

Hij blogt wekelijks voor Tirade.

Foto: Roderique Arisiaman