Montgolfière

Zwaluwen maken geen zomer meer – het is de hete-luchtballon die het ‘m doet. Avond aan avond zag ik ze door mijn blikveld schuiven, veelkleurige lampionnen in het blauwe uur. Ze bezorgden me een onbestemd gevoel, gemengd als het is met geluk, heimwee en afkeer. Geen mooier uitvinding dan die van Montgolfier: je houdt iets lichts, een robe van mousseline, een boterhamzakje, dit stukje, boven een brandend vuur, en zie, het kiest het luchtruim. Wie zou zo niet hemelwaarts willen zweven, opgestuwd naar de zonnelampion? Op de eeuwige vragen ‘waar komen we vandaan, waarom zijn we hier, waar gaan we heen?’, is eigenlijk maar één antwoord mogelijk: we hebben even een landing gemaakt om onze gasbrander te vullen, maar straks neemt de Grote Opwaaiende Zomerjurk ons weer mee, richting vergetelheid.

Maar geen genoegen zo bevrijdend, of het neemt in zijn mandje een fles verzuurde wijn mee. ‘Schuldgevoel’ staat er op het etiket te lezen, en in nog grotere letters ‘Drink mij’. Je neemt een slok, en jawel, daar klinkt een jengelende stem die je maar al te goed herkent. ‘Hete-luchtballons zijn de Unicura voor mensen die negentig procent van hun tijd bezig zijn vuile handen te maken aan energieverslindende en milieuverpestende dingen als vliegreizen, filerijden en koffiedrinken uit plastic bekers. Af en toe vluchten ze in een illusie die ze betalen met donaties aan Greenpeace en het WereldNatuurfonds, maar het zijn allemaal doekjes voor het grote bloeden dat ze zouden moeten ondergaan als er nog gerechtigheid bestond.’ Aldus mijn ingebouwde biechtvader.

Zeker, het valt niet te ontkennen dat onze onschuldig lijkende genoegens door en door pervers zijn. Welk zinnig mens zou het in zijn hoofd halen om zich niet per TGV maar per postkoets te verplaatsen, of de maandagse was in de Dommel te doen in plaats van in de met Dreft gevulde Miele? En toch zou dat idiote gedrag op hetzelfde neerkomen als een avondlijke tocht in een montgolfière. Ooit zal het dezulken vergaan als het personage uit W.F. Hermans’ novelle Geyerstein’s dynamiek, dat met luchtballon en al in de fik vliegt, of koningin Marie-Antoinette die het spelen op haar nepboerderij bij Versailles moest bekopen onder het mes van de guillotine.

Wanneer ik deze innerlijke stemmen hoor, moet ik altijd denken aan mijn zwager, opgeleid tot waterbouwkundig ingenieur. Hij komt net als ik uit Zeeland, waar men in onze jeugd nog hard werkte, God vreesde en zich nooit verder dan twintig kilometer van huis en haard verwijderde. Hij mag graag fulmineren tegen alles wat deze tijd aan rampspoeden brengt, en daartoe rekent hij ook, met of zonder inbreng van de Prins van Oranje, de waterhuishouding. Het Deltaplan had er wat hem betreft nooit mogen komen, want voor die eenmiljoenste kans dat er nog eens zo’n ramp als op 1 februari 1953 plaatsvindt, hadden die prachtige Zeeuwse zeearmen nooit geamputeerd mogen worden, hoe fraai het ook is om ze per automobiel over te kunnen steken of per zeiljacht te doorkruisen. Op grond van klimaatsveranderingen en ontbossing vreest en hoopt hij ook stiekum dat de grote rivieren nog eens zo ver buiten hun oevers zullen treden dat er in de Randstad duizenden mensen natte voeten halen.

Beste zwager, verlos me uit mijn gewetensnood. Mag ik nog ontsnappen in een hete-luchtballon of moet ik me laten straffen door jouw zondvloed?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.