Niet slapen

We waren in Duitsland voor werk. Ons hotel zat in een dorpje in het Ruhrgebied en mijn kamer had uitzicht op een van de ongelukkige bijkomstigheden van heuvelland: een damwand die ervoor moest zorgen dat wat aan de voorkant van het gebouw nog de begane grond was niet aan de achterkant een kelder werd.

‘s Ochtends kwetterden er zo achterlijk veel vogels dooreen dat ik het hotel verdacht van gecamoufleerde speakers in de damwand; van opgenomen natuurgeluiden in een loop die ervoor zorgde dat niemand pas om half elf aan het ontbijt verscheen.

In de Kneipe die bij het hotel hoorde stond een echte kastelein. Zijn witte snor overkapte zijn mond en wanneer hij sprak zag je alleen zijn kin bewegen, wat hem aan een bolle goedgemutste buiksprekerspop deed denken. De man schonk ijskoud pils in van die rechte fluitjes van flinterdun glas en verdomme als dat niet exact is waar je heel veel van wilt hebben na een lange dag lopen en praten.

Tijdens de heenreis had ik me verheugd op mijn eerste nachten sinds maanden zonder een baby naast mijn bed. Ik zou lang en ongestoord slapen; opgeladen terugkeren naar mijn gezin. Maar aan het eind van elke dag moesten we langs die snor, die twinkelende ondeugende oogjes en rode konen. De koele aardewerken tap waaruit dat knetterfrisse Kölsch kwam.

Ik kan niet meer slapen op drank, of liever: ik kan er niet meer op doorslapen. Om vijf uur elke ochtend – ruim voor de vogelloop inzette – was ik zowel klaarwakker als doodmoe.

Een van de grote mysteries in mijn leven is waarom ik op het moment dat ik er het minst aan kan veranderen het meest over mijn problemen nadenk.

Inmiddels weet ik dat een goede nachtrust mijn vaardigheid om bij dag adequaat om te gaan met problemen vergroot, maar daardoor kan ik alleen maar beter wakkerliggen. De nadelige gevolgen van mijn onvermogen te ontspannen tel ik bij mijn piekerlijstje op.

Wat ik hierboven beschrijf is vele malen erger als ik gedronken heb, maar ook zonder drank een bijna dagelijks gegeven. Veel mensen, weet ik inmiddels, kampen ermee.

Mijn theorie tot dusver: rond 10.000 voor Christus begon de mens gewassen te verbouwen, waardoor voortdurende stress voor overleven niet langer nodig was. Sinds die tijd is het aantal zaken dat ons leven elke dag bedreigt (wanneer er geen oorlog is) geleidelijk teruggebracht naar nul. Met andere woorden: het is ooit fokking relevant geweest voor het doorgeven van je genen dat je voortdurend in survival mode stond. Degene die overal gevaar vermoedde had een grotere overlevingskans dan degene die zich nooit zorgen maakte.

Ons brein is nauwelijks veranderd sinds we jager-verzamelaars waren. Zo gauw het niet meer in beslag genomen wordt door alle input waar het overdag mee om moet gaan, keert het terug bij de preset die ons honderdduizenden jaren voor gevaren heeft behoed.

Als ik gelijk heb en mijn theorie snijdt hout, dan is er geen hoop. Evolutie laat zich niet afdwingen door slapeloze schrijvertjes.

 

____________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín. Op 23 juni 2021 kwam Gilles’ nieuwe roman Dorp uit.