Nieuwe types

Afgelopen zaterdag bezocht ik de afstudeerpresentaties van de tweede lichting ‘nieuwe types’: studenten Creative Writing van ArtEZ. Een boeiende avond, op twee locaties, tussen twee blokken presentaties door moest je van het ene podium naar het andere lopen.

‘Dit zouden ze op alle literaire avonden moeten doen,’ zei mijn gezelschap, en dat kon ik alleen maar beamen.

Er zijn weinig dingen erger dan langzaam verdoofd worden door middel van voordracht; dat je heftige verveling ervaart die op den duur slechts kan resulteren in wild en willekeurig doch luid wenend met armen en benen spartelen, of, als je die neiging kunt onderdrukken, in een totaal ongepaste slappe lach. Uiteraard gebruik ik hier ‘je’ in voetballerszin, ik bedoel er mezelf mee, er schijnen mensen te (hebben) bestaan – vooral in Duitsland en in het oude Griekenland – die uren achtereen in opperste concentratie naar murmelende schrijvers kunnen luisteren.

Enfin. Van gemurmel gelukkig nauwelijks sprake bij deze nieuwe types. Die worden niet alleen als schrijver, maar ook als performer afgeleverd, heel prettig.

Als ik denk aan kunstopleidingen, schrijfopleidingen in het bijzonder, voel ik heel even een stroomschokje spijt door mijn ingewanden gaan. Ik durfde die stap nooit te zetten, onder het mom ‘doe nou maar gewoon zo normaal als binnen je verstandelijke vermogens ligt’ en omdat het nogal wat is, op jezelf gokken. Denken: ik word later kunstenaar, mensen zitten daarop te wachten (denk hier die voetballer weer even bij, overigens). Zelfs toen ik rond m’n vierentwintigste ten langen leste besloot Nederlands te gaan studeren zeurde er iets in mijn achterhoofd dat ik niet zo moeilijk moest doen, helemaal naar de universiteit en alles, ver verwijderd van het normale leven. Maar tenminste was het Een Soort Van Echte Studie, en niet Iets Artistiekerigs.

Er heerst, gelukkig steeds minder maar toch nog altijd, een heel raar idee over schrijfopleidingen. Die zouden helemaal niet nodig zijn. Acteurs moeten geschoold worden, beeldend kunstenaars ook, net als modeontwerpers en illustratoren, maar als je schrijver bent moet de goddelijke inspiratie uit de hemelen nederdalen zonder dat iemand je leert hoe daar vervolgens mee om te gaan. Je wordt geboren met die tochtige zolderkamer om je heen, als het ware.

Maar wat moet het fijn zijn – naast moeilijk en spannend en alles wat bij alle opleidingen komt kijken – om een beetje houvast te hebben, om gewezen te worden op mogelijkheden, om te leren te reflecteren op je eigen (en andermans) werk, alleen al om studiegenoten en docenten om je heen te zien, een netwerk op te bouwen van mensen die met hetzelfde bezig zijn als jij. Nee, niet precies hetzelfde; die nieuwe types bewezen dat ze niet tot het vervaardigen van uniform proza gekneed waren tijdens hun opleiding.

Misschien ben ik al te kritiekloos, misschien worden studenten als ze te weinig woorden schrijven gemarteld met slechte poëzie, van dichtbij voorgedragen door een oude dichter met een rotte adem, tot ze er wél zijn (eigenlijk helemaal geen slecht idee, maar wie ben ik). Het zou me echter niets verbazen als we nog veel van die nieuwe types gaan horen, en lezen uiteraard, en dat we voortaan halverwege literaire avonden even de tent uitgestuurd worden om een blokje om te gaan.

—-

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Roos van Rijswijk

Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).