Ouwe pikkedoos

Is het erg als een taal verdwijnt? In verleden eeuwen zijn er ettelijke uitgestorven. Nog drie generaties geduld, en met Mandarijn, Spaans en Engels kan je de hele wereld over. 

Hoe meer mensen elkaar verstaan, hoe beter de communicatie tussen de verschillende volkeren. Dat lijkt logisch, maar wordt pregnant als je bedenkt dat bij de NAVO beslissingen van wereldbelang genomen worden door mensen die de speech van hun collega door een simultaantolk in hun oor laten vertetteren. 

Nog duidelijker worden de voordelen van het uitsterven van kleine talen, als je bedenkt dat iemand zoals ik in de toekomst een boek zal kunnen schrijven dat onvertaald een miljard lezers kan bereiken. 

Fuck het Nederlands zou ik zeggen, en fuck al helemaal zoiets belachelijks als het Fries. Ware het niet dat ik het sterven van een taal van heel dichtbij heb meegemaakt. 

Met het overlijden van mijn beste vriend Gijs, was ik van de ene op de andere dag de laatste spreker van de taal die zich in de jaren van onze vriendschap heel natuurlijkerwijs tussen ons ontwikkeld had. Op een Nederlands staketsel bouwden we een voor anderen bijna onverstaanbaar patois, dat omstanders regelmatig met meer vraagtekens naar huis liet gaan dan waarmee ze naar het feestje waren gekomen.

Natuurlijk was het niet leuk om mensen op die manier buiten te sluiten, maar als je weet hoe het voelt om na een tijdje in den vreemde eindelijk je eigen taal te kunnen spreken; hoe ontspannen het is als gedachten weer vanzelf woorden kunnen worden, dan zul je begrijpen dat we toch vaak voor onszelf kozen. 

Het fundament van ons patois was humor. Grappige verhalen werden uitgebouwd en kregen een heel eigen betekenis. In de maanden na Gijs’ dood bleef ik die grappen maken, alsof er iemand was die me nog verstond. Opvallend vaak galmden mijn opmerkingen door een plots verlaten stadion, maar ik kon het niet opbrengen ze ook nog uit te leggen. De mensen zullen gedacht hebben dat ik het zwaar had, en lieten me begaan*.    

De laatste grap gemaakt in onze taal, zou Gijs niet meer meemaken. Tijdens zijn vermissing werd – omdat niemand begreep hoe hij zo van de aarde had kunnen verdwijnen – aan de vreemdste scenario’s gedacht. Een daarvan was dat hem iets zou zijn overkomen in de gay scene (zijn fiets werd bij de Warmoesstraat gevonden). Gijs’ vrienden wisten dat in deze richting speuren weinig zou opleveren, maar goed: als je sleutels lang genoeg kwijt zijn, zoek je uiteindelijk ook in de kelder. 

Een Facebookvriendin van Gijs kwam op de proppen met iets wat ze op zijn pagina had aangetroffen. In een wisseling tussen hem en ene D.J. de K., noemden de heren elkaar voortdurend “ouwe pikkedoos”. Ook de zin “Ouwe pik, ouwe pijp” was voorbijgekomen. De Facebookvriendin schreef verder geen harde bewijzen te hebben, maar een homosexuele angle kon volgens haar toch niet meer worden uitgesloten. 

Om deze dame uit te leggen op hoeveel manieren ze ernaast zat, had ik haar de taal moeten leren. Soms vind ik het jammer dat ik dat nooit heb gedaan. Een native speaker zou ze niet meer kunnen worden, maar inmiddels had ze een heel eind kunnen zijn.

 

 

*Dank nog, iedereen, daarvoor. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.