Participatiegevangenis

In de greep van de taal van Antoine Mooij is een boek dat niet verstoft. Dat is omdat je het op twee manieren kunt lezen: het bevat een gestructureerd overzicht van de filosofie van Jacques Lacan en Ernst Cassirer. Maar het is tegelijkertijd zo geschreven dat de teksten je laten nadenken over je eigen ervaringen en je uitdagen met de concepten aan de haal te gaan.

Mensen zitten gevangen in taal. Taal bepaalt hoe we denken over de wereld, onszelf en anderen; en hoe we ons daarover uiten.

Schrijvers en dichters kunnen misschien wel niets anders doen dan de grenzen van die taalgevangenis oprekken, haar zo ruim maken dat ze niet als gevangenis voelt. Je zou critici in de wereld van politiek en het bedrijfsleven kunnen zien als mensen die de taal juist beschieten. Ze richten hun pijlen op het taalgebruik van leiders om ‘het volk’ weer vrij te laten denken. Dat is een eervolle taak, waarvoor ze soms – helaas – het loodje moeten leggen.

Deze taalgevangenis is niet alleen een abstracte weergave van de menselijke conditie, ze is ook zichtbaar en voelbaar, zoals in bijna elk overleg dat ik de afgelopen maanden voerde over participatie. De situatie is meestal als volgt: er moet een bijeenkomst worden georganiseerd over een nieuw plan. Dat plan gaat bijvoorbeeld over de aanleg van warmtenetten, over nieuwe woningen of over de nieuwe inrichting van een plein. De vraag waar participatie om draait is: kan er nog wat aan het plan worden veranderd, en wie mag dat doen?

Zodra de vraag gesteld is, merk je opeens dat alle deelnemers aan een overleg taalgevangenen zijn. Ze beginnen vaag te sputteren, zich te uiten in woorden die ze niet op een berisping zal komen te staan: ‘Dat hangt er vanaf, een stukje verwachtingsmanagement is belangrijk, mensen moeten begrijpen dat niet alles kan, er is natuurlijk ook een regionale agenda waar het bij moet passen, dit is vooral een principe-stuk op hoofdlijnen.’

De presentaties die hieruit voortkomen worden volledig gedicteerd door een zwartboek waarin foute en goede woorden staan. Niet burger maar bewoner, niet groen maar duurzaam, niet beste maar meest voor de hand liggende, enzovoorts.

Het doet me weleens denken aan mijn eerste interview – 1994, schoolkrant van het Murmellius Gymnasium: lekker vrij schrijven met veel pretentie en wars van regels – met televisie-icoon Ted de Braak die vertelde dat hij op televisie niet mocht spreken van slecht weer omdat de Heer, volgens de Christelijke omroepvereniging, geen slecht weer creëerde.

Het effect van die taalgevangenis is dat bijeenkomsten vooral draaien om het voorkomen van versprekingen. Ambtenaren, politici en professionals zijn eindeloos bezig om in uitnodigingsbrieven, presentaties en interactie met bezoekers te voorkomen dat ze iets zeggen dat tegen de gevangenisregels ingaat. Ze leren zichzelf een taal aan waarmee ze genoegzaam in de ontspanningsruimte kunnen blijven zitten.

Als er bijvoorbeeld wordt gevraagd naar de concrete plannen voor een wijk, verwijzen ze routineus naar eerdere stukken, onderzoeken die nog op stapel staan en toekomstige bijeenkomsten. Het liefst sluiten ze af met de uitsmijter: ‘…en we zien er naar uit dat samen te doen en kijken zonder vooringenomenheid naar elk initiatief.’

Na afloop prijzen ze elkaar ‘omdat het niet mis ging’. ‘Een of twee versprekingen misschien, maar verder ging het goed.’ Maar het is natuurlijk wel mis: een taalgevangenis die mensen reduceert tot spreekbuizen stompt die mensen af, creëert boosheid en cynisme onder de deelnemers aan bijeenkomsten, en (uiteindelijk, denk ik) woede onder de bevolking.

Hoe ontsnappen we uit die taalgevangenis? Nou, helemaal ontsnappen lukt natuurlijk niet. Maar we zouden wel kunnen streven naar bijeenkomsten waarin niet de angst voor verspreking, maar de wil om plannen te veranderen voorop staat. Laat sprekers een bijeenkomst maar eens beginnen met de verzuchting: ik zit vast in een taalgevangenis die we met elkaar maken en in stand te houden, help me de muren te verplaatsen. Beschiet me als een criticus, verleg grenzen als een schrijver of een dichter.

Ik noem die opstelling een radicale participatiehouding.

Bezoekers zullen waarschijnlijk verbaasd opkijken, maar ik denk niet dat ze zich daarna gaan misdragen. Integendeel, ik reken op een fascinerende uitwisseling van ideeën. En betere plannen!

Menno van der Veen

Menno van der Veen studeerde filosofie en wijsbegeerte. In 2019 publiceerde hij zijn tweede roman Ontweten bij Van Oorschot. Menno werkt ook als onderzoeker, consultant en trainer op het gebied van democratie, participatie en mensenrechten. Momenteel werkt hij aan zijn derde roman (werktitel Het profetenverbod). Die is naar verwachting klaar in 2022.