Pillenpraat

prozac

De laatste paar weken heb ik me een beetje verdiept in het anti-depressiva debat van de afgelopen jaren. Steeds meer mensen zouden anti-depressiva slikken voor steeds minder erge geestelijke kwalen. Het belangrijkste argument tegen het ‘medicaliseren’ van onze geestelijke gezondheidszorg is dat het niet nodig is: veel van de patiënten die nu met een doosje Xeroxat de deur uit worden gestuurd zouden evenveel baat hebben bij goede psychotherapie, een strengere opvoeding, of het simpelweg doorlopen van een natuurlijk rouwproces. Het benaderen van gemoeds- en gedragsproblematiek als voortkomend uit biologische misstanden in het lichaam zou te eenzijdig zijn: veel geestesziekten zouden een socio-historische achtergrond hebben en dus ook tegen die achtergrond moeten worden opgelost. Het vreemde is dan ook dat in vrijwel geen van de artikelen die over dit onderwerp te vinden zijn iets staat over wat het eigenlijk betekent om anti-depressiva te nemen. Er wordt veel met nummers gestrooid (ruim 10% van de Amerikaanse bevolking slikt anti-depressiva, het aantal volgens de DSM erkende psychische stoornissen is sinds de jaren ’50 haast verdrievoudigd en komt nu uit rond de 300 – ‘substoornissen’ niet meegeteld), maar het is lastig om uit te maken wat nou precies het effect is van de toenemende inname van anti-depressiva. Helpt het eigenlijk? En zo ja, op welke manier?

Ik citeer een artikel uit 2008:
“The wave of medicalization has begun to penetrate significant portions of ordinary life. For example, those who were previously thought of as shy, quiet or introverted are part of a new American epidemic, now thirty-three million strong, who suffer from “social anxiety disorder”. And the experience of background nervousness that I – and twelve million other Americans- experience as we drive to work, lecture, and travel to professional meetings, can now be diagnosed as “generalized anxiety disorder” (GAD), to the delight of the pharmaceutical companies making drugs like Prozac, Paxil, and Xanax.” (Aho., K., in: Medicalizing Mental Health: a Phenomenological Alternative)

Als ik dit citaat lees wil ik enerzijds zeggen: als je lijdt aan een gegeneraliseerde angststoornis, dan heb je niet slechts te maken met een licht nerveus gevoel. Geloof me, je gaat niet naar je werk. Tegelijkertijd heeft de auteur hierdoor misschien wel een punt: als het werkelijk zo is dat ‘verlegen’ mensen medicijnen krijgen om een beetje extraverter te worden, dan is er wel degelijk een probleem.
Maar zou het niet ook gewoon zo kunnen zijn dat steeds meer mensen lijden aan een psychische stoornis? Niemand kijkt raar op van het feit dat steeds meer mensen een diëtist bezoeken: onze criteria van ‘te dik’ zijn niet veranderd, er zijn simpelweg steeds meer mensen die aan de criteria voldoen. Dat er steeds meer mensen gediagnosticeerd worden met een psychische stoornis lijkt mij an sich dan ook geen probleem (afgezien natuurlijk van het feit dat het problematisch is voor de mensen op wie dit betrekking heeft) – ookal wordt dit gegeven in dit geval mede veroorzaakt door het feit dat de criteria voor ‘psychische stoornis’ aan verschuiving onderhevig zijn. De vraag moet volgens mij dan ook niet zijn, lijdt je aan stoornis X, maar hoe lijdt je? Het is natuurlijk onmogelijk en ook onzinnig om het lijden van mensen met elkaar te vergelijken, maar je kan iemands lijden wel afzetten tegen zijn of haar eigen standaarden – wat voor de een ondraaglijk is, is voor de ander peanuts. Hoe een patiënt zijn of haar lijden ervaart is bovendien belangrijk om te bepalen of het wel of geen zin heeft om met anti-depressiva (door) te behandelen. Als 10% van de Amerikaanse bevolking anti-depressiva slikt, maar van die 10% heeft maar 30% daar baat bij, dan is er inderdaad sprake van een onzinnige trend die alleen de levenskwaliteit van farmaceutische bazen verhoogt. Maar wat als de levenskwaliteit van diezelfde 10% van de Amerikaanse bevolking verhoogd is? Een antwoord op die vraag heb ik niet kunnen vinden; zo’n antwoord vind je immers alleen door het de betreffende mensen te vragen, maar nummers kunnen geen antwoord geven.

Een ander argument tegen het nemen van anti-depressiva is dat het het ervaren van echte gevoelens onmogelijk zou maken.

Uit hetzelfde artikel:
“Because contemporary psychiatry regards emotional suffering as a biological condition to be managed with medical technology, these important moods are suppressed and the abyssal nature of our own existence is covered over and forgotten with Prozac-like medications. Gadamer reminds us of this predicament when he asks:

“Is there not a terrifying challenge involved in the fact that through psychiatric drugs doctors are able not only to eliminate and deaden various organic disturbances, but also to take away from a person their own deepest distress and confusion?” (Gadamer, The Enigma of Health, p. 72)”

Wat ik wil zeggen is het volgt: de woorden ‘their own’ zijn hier niet op z’n plaats. Wat mij opvalt is dat veel mensen die ik over dit onderwerp sprak aangaven dat ze intuïtief het idee hadden dat anti-depressiva ervoor zouden zorgen dat je ‘niet langer jezelf’ bent; je persoonlijkheid zou er onder te lijden kunnen hebben. Maar in hoeverre is iemand die de straat niet meer op durft zichzelf? Heeft de persoonlijkheid van een actief, levenslustig persoon niet ook te lijden onder een depressie die hem of haar de hele dag in bed houdt? Een misconceptie over het nemen van anti-depressiva is misschien dat het al je zorgen weg zou nemen. Dat vinden we zwak, want het leven is niet zorgeloos, en daar moet je maar gewoon mee leren omgaan. Maar anti-depressiva zorgen er, mits ze juist werken, alleen maar voor dat je je zorgen weer proportioneel kunt ervaren. Een voorbeeld:

“I now marvel at my ability to move in and out of ordinary feelings like sadness and disappointment and worry. I continue to be stunned by the purity of these feelings, by the beauty of their rightful proportions to actual life events.” (Lesley Dormen, 2001)

Wat mij stoort is dat dit hele debat het gebruik van anti-depressiva de taboesfeer in terug duwt. We slikken ons met z’n allen suf, maar we praten er liever niet over, want we zijn tegelijkertijd van mening dat het onterecht is om je geestelijk lijden te verlichten met behulp van medicijnen. Dat maakt mij boos. Ik vind dat je nogal makkelijk aan de ernst van ‘deepest distress and confusion’ voorbij gaat als je vraagtekens stelt bij het wegnemen van deze gevoelens. Pardon – het gaat hier om gevoelens van de allerergste soort – neem ze alsjeblieft weg! Easy way out of niet. Daar komt bij, zijn de meeste vormen van praat-therapie niet ook gericht op het verlichten van geestelijk lijden? Een psycholoog ziet zijn patiënt toch het liefst glimlachend de deur verlaten.

Dit stukje is echter allerminst een pleidooi voor het rücksichtslos tot je nemen van allerlei medicijnen. Wat ik bedoel te zeggen is dat het volgens mij niet erg is dat we antidepressiva nemen, maar dat het wel heel belangrijk is om zorgvuldig met dit gegeven om te gaan. Wie besluit om anti-depressiva te gaan slikken wordt op artificiële wijze binnen de twee tot vier weken die het duurt voor zo’n middel om te gaan werken teruggeworpen naar hoe ze zich voelden voor de stoornis – terwijl zo’n stoornis zich soms over de tijdspanne van jaren opbouwt. Zoiets kan, of het middel uiteindelijk nou werkt of niet, heftige emotionele gevolgen hebben en moet onder begeleiding gebeuren van een deskundige. Gelukkig maken veel mensen al gebruik van de combinatie ‘pillen & praten’ (een gegeven dat in de statistieken over de pillen overigens niet terug te vinden is). Je zou mijns inziens met behulp van een meer fenomenologische (op ervaring gebaseerde) benadering van psychische problemen niet zozeer een alternatief voor maar wel een aanvulling op het nemen van anti-depressiva kunnen vormen. Een psychische stoornis is betekenisvol – het betekent iets als zo’n ziekte je hele leven overneemt, net zoals het iets betekent als een dagelijkse pil je leven vervolgens weer in goede banen probeert te leiden. In die zin is het dus helemaal niet waar dat het nemen van anti-depressiva een benadering zou zijn die zich enkel richt op het biologische aspect van psychische problemen. Door de werking van stoffen in de hersenen te beïnvloeden doe je niet enkel dat: de fysiologische opmaak van de hersenen veranderen, maar je zorgt ervoor dat jij als persoon de wereld op totaal nieuwe (hernieuwde) wijze gaat ervaren – met alle op de context betrekking hebbende gevolgen van dien. Het kan je ervaring van tijd, de mensen om je heen, de manier waarop je jezelf ziet totaal veranderen. Nu ben ik geen psychiater, ik kan wat ik hier schrijf enkel onderbouwen met behulp van wat ik over dit onderwerp las en zo nu en dan met eerste-persoons bevindingen, maar juist het feit dat een anti-depressivum zo’n effectief middel is maakt dat het noodzakelijk is om over het gebruik er van te praten. Nu lijkt het soms alsof je door het nemen van anti-depressiva voor de buitenwereld je recht op praten over je problemen verliest – je koos immers voor de biomedische uitweg. Uiteindelijk verschilt het per persoon en per probleem welke behandeling het beste werkt (sommige mensen zweren nog altijd bij psychoanalyse – zie het huidige nummer van De Gids), maar om het gebruik van anti-depressiva als modeverschijnsel; ‘hip’, of onderdrukking van het abnormale af te doen vind ik over het algemeen te kort door de bocht. Het is onmogelijk om in zulke algemene termen te spreken over iets wat zulke grote gevolgen heeft voor een individu. Tenslotte, anti-depressiva slik je per definitie niet voor de lol.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.