Gisteravond in bed las ik verder in de dagboeken van Søren Kierkegaard, waar ik tot dan toe slechts een beginnetje in wist te maken. Tegelijkertijd, terwijl ik iets interessant lees, houd ik daarnaast vaak als klankbord mijn eigen dagboek bij. Goed, daar gingen we.
Ik, omdat ik het zo fijn vond te lezen in het dagboek van een zo slimme man en het heel zinvol van mezelf vond om voor het eerst in lange tijd een avond alleen thuis door te brengen om te studeren:
– Andere mensen zijn ook maar een gering onderdeel van het leven: daarnaast leren, inzichten vergaren, kennis opdoen – dat kan een ander toch niet van je overnemen. Ja, ze kunnen de dingen inzichtelijker maken door je zichzelf te tonen, maar mogelijk liegen ze (i.e. geen cartesiaans solipsisme maar alledaags menselijk wantrouwen: zij bestaan ook, maar hebben niet het juiste met je voor).
Søren antwoordde al op de eerstvolgende bladzijde: Wat zou het mij baten als ik een zogenaamde objectieve waarheid zou ontdekken; als ik mij door alle filosofische systemen heen werkte en er, desgevraagd, kritieken over kon schrijven; dat ik in elk systeem de inconsequenties aan zou kunnen wijzen; (…) – wat zou het mij baten als ik de betekenis van het christendom uiteen zou kunnen zetten, de talloze geïsoleerde fenomenen zou kunnen verklaren, als die voor mijzelf en voor mijn leven niet van diepere betekenis zouden zijn?
Nou, weer een klein beetje grond onder mijn voeten weggemaaid. Ik had niet per se de ambitie om ooit de betekenis van het christendom uiteen te zetten, maar ik dacht toch: misschien kan ik mijn hart met kennis vullen; niet alleen mijn hoofd. Kennis is een hele stevige substantie, een soort cement. Dat leek mij veilig. Ik kan niet goed uitleggen waarom ik het lezen van andermans dagboeken altijd zo geweldig vind – misschien omdat het het ultieme bewijs is van het feit dat andere mensen ook denken (nogmaals, ik bedoel hier niet solipsistisch te zijn, maar je eigen gevoelens en gedachten voelen vaak zoveel prangender dat het gemakkelijk is om aan die van anderen voorbij te gaan) – waarmee ik mijn gedachten overigens helemaal niet op een lijn wil plaatsen met die van Kierkegaard.
Zijn dagboeken doen me qua stijl en wijsheid een beetje denken aan de Meditaties van Marcus Aurelius, een klein boekje dat ik ooit op mijn 15e las en dat destijds veel invloed op mij had. Een stukje:
20. Anything in any way beautiful derives its beauty from itself, and asks nothing beyond itself. Praise is no part of it, for nothing is made worse or better by praise. This applies even to the more mundane forms of beauty: natural objects, for example, or works of art. What need has true beauty of anything further? Surely none; any more than law, or truth, or kindness, or modesty. Is any of these embellished by praise, or spoiled by censure? Does the emerald lose its beauty for lack of admiration? Does gold, ivory, or purple? A lyre or a dagger, a rosebud or a sapling?
Dit dwing ik mijzelf sindsdien in mijn hoofd op te zeggen als ik weer eens om complimentjes aan het vissen ben (iets wat ik vaak en graag doe). Het is ook iets wat helpt tijdens het schrijven – het laat je je tekst door enkel je eigen ogen bekijken, schudt de meelezers van je rug. In die zin is het misschien een mooie aanvulling op Gilles’ stukje hieronder. En toen las ik vervolgens ook nog dit bij Kierkegaard – Gilles, this one’s for you:
9 oktober 1836
Literaire geleerdheid lijkt vaak op een ondoordringbaar oerwoud, waar men op enkele plaatsen een plek vindt waar men kan rusten of een familie tegenkomt die beweert de weg te kennen in het dichtstbijzijnde district, maar die hun inlichtingen meer overgeleverd hebben gekregen dan dat zij zelf die weg gegaan zijn. In dit literaire oerwoud woont ook een troep wilde dieren (recensenten), die men met allerlei lawaaiige instrumenten op een afstand moet houden, bij voorbeeld door een pact te sluiten met andere recensenten. Het allerbeste zou misschien zijn met de recensenten te kunnen doen als met ratten: ze zo africhten dat ze elkaar bijten.
Marcus Aurelius, Meditations, Penguin Books, 2004, p. 33
Søren Kierkegaard, Dagboeken, Privédomein 174, De Arbeiderspers, 1991, p. 27-37
Lees de Tirade Blog

Verlangen naar wat ongedaan bleef – de kunst van het nietsdoen
De encyclopedie van het geluk 30 Na 55 jaar ben ik er nog steeds niet achter of ik lui ben of niet. Op school spijbelde ik veel. Maar spijbelen is nog steeds en probaat middel om dingen gedaan te krijgen: spijbel van je administratie en de afwasmachine wordt ingeladen. Spijbel van het opruimen en je...
Lees verder
Zoeken
’s Ochtends vroeg: we staan achter het hek en speuren door verrekijkers het weiland af. Het perceel lijkt ongemoeid, straks de boer maar even bellen wat zijn plannen ermee zijn. Er zitten kieviten op. Twee dofferts – mannetjes – duikelden zopas even door de lucht en streken erop neer. Vorige week vonden we al een...
Lees verder
Roeien – een liefdesverklaring
De encyclopedie van het geluk 30 Ik heb veel nagedacht over de activiteit van het roeien. Gewoon omdat ik veel geroeid heb. En als de mederoeiers de bovenmenselijke goedheid hebben even te zwijgen is er ruimte voor denken. Laatst vertelde ik er iemand over. Ik roeide op een sloep uit het begin van de eeuw....
Lees verder
Blog archief


