Stelen

In de Volskrant van gisteren stond een klein bericht over een omvangrijke boekenroof (zie ook hier en hier). Een medewerker van de bibliotheek van het Londense Lambeth Palace, de woning van de aartsbisschop van Canterbury, bleek tijdens zijn aanstelling talloze boeken mee naar huis te hebben genomen. Middels een brief die vlak na zijn dood naar de bibliotheek is verstuurd, biecht hij op zich sinds de jaren zeventig schuldig te hebben gemaakt aan de boekenjatterij. Opmerkelijk aan de zaak is de relatieve onwetendheid van de bibliotheek. Na een bominslag tijdens de Tweede Wereldoorlog was de inventaris een letterlijke puinzooi: decennia na de oorlog dachten de bibliothecarissen bij vermiste titels eerder aan vernietiging dan aan ontvreemding. Op de zolder van de medewerker werden niet de veronderstelde negentig boeken aangetroffen – het waren er ongeveer duizend.

Diefstal door medewerkers komt binnen allerlei bedrijven voor, maar in sommige gevallen lijkt me dat er meer achter steekt dan alleen geldelijk gewin. Iemand die in een conservenblikfabriek werkt pikt waarschijnlijk geen gratis blikken mee, die doet eerder een greep uit de kas. De ware lezer die werkzaam is in bibliotheek, boekhandel of uitgeverij heeft, meer nog dan bij de pecunia, belang bij de producten, de boeken. Het stelen van boeken is bij uitstek een misdaad gepleegd uit passie, de passie van een bandeloze bibliofiel.

Wanneer iemand mij vraagt of ik wel eens iets gejat heb dan antwoord ik altijd met nee, maar nu ik er langer over heb nagedacht… ik beken, ik heb gestolen. Dat begon lang geleden met het jatten van snoepgoed uit de winkel van een camping, waarvoor ik ruimschoots op mijn flikker heb gekregen. Ook staat me bij dat er met mijn medeweten ooit kopjes, schoteltjes en theelepeltjes van een terras zijn verdwenen door ze in de gracht te gooien, maar of dat nu werkelijkheid is of een door mijn herinnering vertekend verhaal, is moeilijk te zeggen. Dingen ‘meenemen’ van terrassen en uit cafés heb ik, geloof ik, meer dan eens gedaan. Ten slotte is er sprake geweest van het toe-eigenen van fietslampjes, wat verklaarbaar was omdat ik, ofschoon ik ’m flink om had, de tegenwoordigheid van geest bezat om aan de verkeersveiligheid te denken. (Voornoemde incidentele dieverijen hebben, zie ik nu, allemaal in meer of mindere mate te maken met eten of drinken.)

Ik kan me heel goed voorstellen dat iemand juist boeken zou gappen. Een paar extra titels in een onuitputtelijke boekenkast valt natuurlijk niemand op, waardoor er ongemerkt zomaar x-aantal waardevolle spolia op de plank kunnen pronken. Boekenroof onderstreept eens te meer dat boeken zonder meer geschikt zijn als ktèma es aei, een bezit voor het leven. Toch heeft de malafide bibliotheekmedewerker geprobeerd zijn buit te verpatsen, waarin hij slechts in een enkel geval is geslaagd. Dat hij met geweld labeltjes en opschriften van de bibliotheek heeft verwijderd om de boeken te gelde te maken, doet vermoeden dat niet boekenliefde maar ordinaire kleptomanie de oorzaak van zijn handelen is geweest.

Nadat ik het artikeltje had gelezen ging ik naar een antiquariaat. In een winkel is de verleiding om iets achterover te drukken bij mij nihil, maar tijdens het grasduinen in de kasten stuitte ik op de glimmend zilveren rug van De kunst van het stelen van Manuel da Costa. Ik stond daar als door de bliksem getroffen en besloot het te stelen noch te kopen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Marko van der Wal

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.