Tegen Het Beest

Het beest, zo noemen zij die hem kennen hem.

Suicide headache zeggen de mensen die de cijfers bijhouden, omdat degenen die eraan lijden meer dan gemiddeld zelfmoord schijnen te plegen.

Cluster headache is de naam die de artsen eraan geven.

Oh, migraine, zeggen mensen die er nooit van gehoord hebben.

De eerste aanval kreeg ik op 17 augustus 2012, vogels zongen, mensen sloegen heipalen de grond in en ik zat met een zak ijs tegen mijn hoofd op het balkon en luisterde naar het telefoon-gesprek dat de benedenbuurvrouw met haar man voerde, ze noemt hem meestal Kanker-, tering-, tyfuslijder.

Dat ik de datum van de eerste aanval weet, komt door het schema waarin ik elke dag bijhoud wat ik aan schrijven gedaan heb. Duizend woorden geschreven. Tweeduizend woorden herschreven. Dit ben ik ooit gaan doen omdat ik dacht dat een schrijver, net als een sporter, zicht moest hebben op zijn tijden.

Mijn record is in een dag iets van 5.600 woorden. Het minst schreef ik op de dag dat -80.000 woorden staat. Toen ging een heel manuscript de vuilnisbak in.

Als ik een dag niet geschreven heb, noteer ik de reden.

Louis jarig.

Tirade presentatie.

Kater.

Op 17 augustus 2012 staat: hoofdpijn. Twee dagen later weer. En daarna heel vaak, tot de dag dat de huisarts zei dat ik clusterhoofdpijn had.

Ik noem hem de Kolonel. Je kunt moeilijk tegen mensen zeggen dat je afbelt omdat Het Beest er is en afbellen wegens hoofdpijn wordt ongeloofwaardig na een keer of drie.

‘Ik kan niet komen… de Kolonel is er.’

‘Hoe bedoel je de Kolonel?’

‘Kan… niet… praten…’

‘Ben je weer in Uruguay?’

De Kolonel is een ventje van bijna twintig centimeter lengte met een zwak voor haken en steekwapens. Hij klimt langs mijn rug omhoog tot aan mijn schouder. Net ook.

Waar mijn schedel op mijn wervelkolom aansluit, snijdt hij een gat. Daarlangs steekt hij de haak met de langste steel naar binnen en duwt door tot hij achter mijn oogbal is. Het bloed dat door het gat naar buiten sijpelt, bevuilt zijn laarzen maar dat doet hem niks. Hij is een militair. Ook stukjes hersenen die nog levend in de stroom meekomen storen hem niet. Hij zoekt de eerste aftakking van de nervus trigeminus. Als hij die vastgehaakt heeft, geeft hij er een ruk aan.

Hij hijst zich naar binnen en kruipt in de ruimte die in mijn schedel vrijkomt. Hij slaat zijn korte haak aan de achterkant van mijn oogbal. Mijn hoornvlies scheurt. Er gaan kegeltjes om.

‘Kanker, tering tyfuslijder!’

De buurvrouw is stil.

‘Kom een keer van voren. Dat ik je kan zien. Kijk me in de ogen!’

Als hij het doet: van voren komen, spring ik van het balkon, oog omlaag, en verpletter hem.

 

————-

Over Carolina Trujillo

De zangbreker Carolina TrujilloCarolina Trujillo (1970) publiceerde tot nog toe vier romans. Drie in het Nederlands – De bastaard van Mal Abrigo (2002),  De terugkeer van Lupe Garcia (2009) en De zangbreker (2014) – en één in het Spaans: De exilios, maremotos y lechuzas (1991). Haar werk werd bekroond met en genomineerd voor verschillende literaire prijzen.

Achtergrondinterviews met de auteur lees je bij Vrij Nederland en beluister je via de website van de VPRO. Bekijk meer tekeningen op: Trujillo.nl

Meer informatie over Trujillo’s jongste roman, De zangbreker, vind je hier.

Carolina Trujillo is de hele maand augustus Tirade’s Zondagse Gastblogster.

N.B. De nieuwste papieren Tirade, Tirade 455, sluit af met een bijdrage van Carolina Trujillo: Tegen de mensheid.

Volgende week: Trujillo schrijft, Trujillo tekent – deel 5 (5/5).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.