Vijf jaar

De laatste vier jaar schreef ik in maart altijd een stukje over mijn dode vriend Gijs, die op de 13e van die maand jarig was. Dit jaar wilde ik dat niet. Ik merkte verzet bij het idee en liet het achterwege.

De meeste van mijn vrienden leerde ik – net als Gijs – kennen in de Amsterdamse horeca. Er konden jaren voorbijgaan eer ik wist wat voor werk ze deden. Om een of andere reden zijn iemands dagtaken niet zo’n terugkerend onderwerp als je in een druk café staat met een drankje in elke hand.

Werk is wat ik doe, en vaak ook waar ik van houd, maar niet echt iets om over te praten. Ik heb het zelfs vaak als zwaktebod ervaren wanneer een ander langer dan relevant over zijn werk sprak. Voor de duidelijkheid: ik neem niemand zwakte kwalijk. Saaiheid daarentegen…

Waar het al die nachten dan wél om ging? Heel veel steeds belachelijker dingen tegen elkaar zeggen en kijken waar het schip zou stranden. Omstanders in je bullshit betrekken en nieuwe vrienden uit Dortmund maken om gearmd mee naar de volgende zaak te zwalken. Zo zijn alle uitgaansnachten van een periode van twintig jaar tot één enkele aaneengegroeid.

Ik werkte tot een uur of een, dronk bier dan wodka. Daarna fietste ik razendsnel door de drukke binnenstad om bij een café te komen waar vrienden waren en nog meer te drinken. We kraamden onzin uit en lachten tot sluitingstijd; daarna sleepten we iedereen die er gezellig uitzag mee. En dansen, natuurlijk. Heel veel dansen. Liefst op tafels.

Als dat allemaal wat puberaal en gebrekkig klinkt begrijp ik het volkomen. Toch heb ik nooit een goed werkinhoudelijk gesprek gemist. Niet toen ik barman was, noch gastheer, noch kok, noch schrijver.

De laatste tijd overkwam het me opeens weer, dat verlangen om drukte te maken, stennis te schoppen. Bijna elke week was er een verjaardag in een druk café, en omdat ik vaak pas laat in de avond in kan haken stond ik dan voor de klassieke keus: een uurtje naar aangeschoten semibekenden staren voordat ik met fatsoen af kon taaien, of nieuwe vrienden maken, kopstootjes voor ze bestellen en op en neer springen tot ze niet anders konden dan meedoen.

Je haalt ze er zo uit, de gelijkgestemden. De twinkeling in hun ogen terwijl ze proberen die jenever af te wijzen. Je hoeft ze niet over te halen, dat doen ze zelf wel. Het waren een paar gezellige en slopende weken. De druktemaker in me was terug en ik bleek hem gemist te hebben.

Kennelijk had ik hem toch niet samen met mijn vriend begraven.

 

* De man naast me op de foto is niet Gijs. 

______________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In het najaar van 2016 komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.