Waarom je niet altijd door een deur moet lopen

We wonen in een hoekhuis en ik sta in de tuin. Naast de tuin ligt een straat waar geen auto’s doorheen kunnen. Alleen fietsers en wandelaars lopen door de straat vanuit de wijk naar het station en andersom. ‘Ik ben een goed mens,’ hoor ik iemand zeggen. Ik kan niet horen of het een mannen- of vrouwenstem is. Er staat een kamerplant tegen mijn raam die niet van mij is en ik schenk er twee glazen water in leeg omdat dat de eigenaar van de plant er niet meer aan denkt. ‘Ik ben een goed mens,’ hoor ik nog een keer. De stem klinkt wat verder weg dan de eerste keer.

Als de voetstappen wegsterven trek ik me op aan de muur die onze tuin van de straat scheidt. Het kost me meer moeite dan ik verwacht had, ik kan net lang genoeg op de muur steunen om een kleine voorovergebogen gestalte te zien die arm in arm loopt met een tweede persoon. Ik denk dat het een man is, maar ik weet het nog steeds niet zeker.

Onze tuin heeft ook gewoon een deur naar de straat, maar ik ervaar soms een al te grote drang om over de muur te klimmen in plaats van door de deur te lopen. Ik had het idee dat ik eindelijk een goede reden had om toe te geven aan die neiging. Iemand die zegt dat hij of zij een goed mens is, daar wilde ik een beeld bij hebben. Als ik door de deur was gegaan, was het mogelijk opgevallen.

Toen ik klein was, was ik bevriend met een jongen die op daken klom, en ik was altijd een beetje jaloers op hem. Tot hij door het dak van een schoolgebouw zakte en een week lang een schoolplein moest vegen. Er stond een berichtje over hem in de lokale krant. Ik voelde me schuldig omdat ik er alleen maar bij was geweest en met mijn onhandige ledematen niet in staat was geweest om met mijn maten op dat dak te staan.

Het uitzicht vanaf onze tuin is behoorlijk slecht. Je ziet een fabriekspijp van een fabriek die niet meer in gebruik is en een lantaarnpaal die ik een tijd heb aangezien voor de maan. Het voornaamste wat er te zien is zijn schuttingen en muren, deuren en plantenbakken, tuinstoelen en tegels. Je ziet pas meer als je er moeite voor doet. Dat had mijn vriend van vijftien jaar geleden al door.

‘Ik ben een goed mens,’ hoor ik voor de derde keer als ik weer op de grond sta. Ik weet niet of ik een goed mens ben, maar ik hou er wel van om mijn gebreken te compenseren door fysiek bezig te zijn. De tuin moet worden opgeruimd. Terwijl ik een soort modderige schimmel uit een vuilnisbak spoel, besef ik dat ik er vanuit ga dat die persoon die zichzelf aanduidde als “goed mens” niet helemaal goed bij zijn of haar hoofd moet zijn. Niemand zegt zoiets over zichzelf. Ik zweet en probeer er niet meer aan te denken. Ik trek een vuilnisbak van de voortuin naar de achtertuin en probeer zoveel mogelijk geluid te horen. De wortels van het onkruid kraken. Ik veeg zand hardhandig van de ene naar de andere tegel. De zon gaat onder en het enige wat ik wil is op de garage klimmen om het beter te kunnen zien.

—-

Marjolein TakmanMarjolein Takman (1991) schrijft voornamelijk proza. Ze studeerde onlangs af in Creative Writing met een novelle. In 2014 stond ze in de finale van Write Now, en ze droeg voor op diverse podia. Verder heeft Marjolein de ambitie om een boek te schrijven dat je wervelend zou kunnen noemen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.