Wat ik niet kan missen

Sinds ik op mijn site onder het kopje over Gilles heb geschreven dat ik het gelukkigst ben in Venetië, wordt me vaak gevraagd waarom ik het gelukkigst ben in Venetië. Zo kwam ik erachter dat het misschien niet zo’n ramp is dat ik voor het derde jaar op rij vergeten ben die website op te zeggen. Kennelijk kijken de mensen er toch naar.

Bovenstaande woorden schreef ik gisterenmiddag aan de eettafel van een huurappartementje aan de via Garibaldi. Buiten, onder het raam, gingen de gasten van Bar Mio richting het eerste aperitief van de dag. Toen ik een punt achter naar gezet had, voegden mijn moeder en ik ons bij hen.

De rest van de dag dacht ik na over wat er zo fijn is aan deze stad. Ik kwam er niet uit.

Ja, natuurlijk zijn er al die dingen die je te zien krijgt als je bij Google nog maar net de eerste letters hebt ingetikt. Maar ik heb vrienden die zeggen dat het voor hen veel zwaarder weegt dat er geen Italianen meer in de stad te vinden zijn, dat het hier platgelopen is door de toeristen; dat La Serenissima alleen een droom kan zijn voor Amerikaanse vrouwen van 50-plus. Ondanks mijn eigen protesten dat ik hier een aantal Venetianen heb leren kennen, geef ik die vrienden gelijk. 

Op de boot, onderweg naar een ander deel van de stad om wat rauwe zeebeesten te gaan eten en mogelijk ook wel een risotto met gare zeebeesten, probeerde ik het probleem op een andere manier te benaderen. Lichtdronken door de zon op de golfjes van de lagune, zocht ik by process of elimination naar wat voor mij de kern van deze stad is. 

Zou ik het hier nog fijn vinden als er niet zoveel water was? Waarschijnlijk wel. Water, kon weg.

Zou mijn hart nog bijna mijn borst uit knallen bij het zien van de skyline als er geen campaniles meer boven de huizen uitstaken? Kerken, streep. 

Zou ik nog aangeschoten van heerlijkheid door de stegen dwalen als er niet overal wijn te halen was, met een dingetje erbij? Drank, onnodig. 

En het eten? Hoe zat het daarmee? Nee, dacht ik. Ik kook zelf wel. Dat kon ook weg.

Blijkbaar blijft de stad ook overeind als ik Birre niet bij me heb, met wie ik hier toch altijd zo gelukkig ben. Of Nadim. Of Otis de Hond. 

Toen kwam ik in gedachten bij mijn vriend Gabriele Bianchi, een van de sympathiekste figuren uit de buurt en gelukkigerwijs ook de eerste Venetiaan waarmee ik – nu zeven jaar geleden – ooit een praatje maakte. Als hij er niet meer was, wat dan? 

Op mijn meest gestreste dagen in Nederland, als ik met gesloten ogen op zoek ga naar die perfecte stille plek (waar anderen misschien de zee, de bergen, dat strand in Thailand oproepen), visualiseer ik te lopen over de via Garibaldi, met mijn tas over mijn schouder. Herfstlicht in de straat, en de lange schaduwen van een vroege ochtend. De rolluiken van de winkel van mijn vriend zijn open; de frisdrankkoelkast waaraan hij zo’n hekel heeft – die met het luide Cola-logo erop – heeft hij al naar buiten gerold.

Het moment vlak voor ik over Gabrieles drempel stap,

voor hij overeind komt van wat hij ook aan het doen is,

voor hij me herkent en onder zijn snor die schitterende scheve glimlach tevoorschijn komt,

die honderdste seconde vlak voor hij mijn naam zegt. 

Dat, by process of elimination, bleek absoluut onmisbaar aan Venetië.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, culinair recensent en docent aan de Schrijversvakschool. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.