Wat mijn wet is, wat ik liefheb

Edouard Levé is een Franse schrijver, auteur van onder andere Autoportrait en Suicide. Autoportrait is een alinea van ongeveer honderd bladzijden, allemaal ik-zinnen – een andere samenhang ontbreekt. Suicide is net zo’n rigoureuze uitwerking van één principe: het begint met de zelfmoord van een van zijn vrienden, jaren geleden, en schrijft dan in tweede persoon honderd pagina’s aan hem vol. “You now know more about death than I do.”

Ik kwam tijdens het herlezen zinnen in Autoportrait tegen die mijn vorige drie blogs hier op Tirade ietwat voor me samenvatten.

[““Here I am””]: “I am surprised there is no word for a mistaken sense of déjà vu.”

[Een vreemdheid]: “As the surgeon’s scalpel reveals my organs, love introduces me to other version of myself (…).”

[Koolzwart]: “I would like to write in a language not my own.”

Ook struikelde ik over deze vierde: “My memories, good or bad, are sad the way dead things are sad.” Ook daar over heb ik willen schrijven. Ik weet niet hoe ik het moet formuleren zonder dat het triest klinkt, want zo bedoel ik het niet – dat vergaan dat ik steeds aanhaal, hoe er iets vreemd blijft in elk spreken, en iets achter in elke herhaling, dat herdenken.

Dat vuur, waar ik het over had – het verbranden en de sintels, de as.

Ik zie denk ik niet zoveel verschil tussen rouw en liefde. Beide zijn een soort grens, aan jezelf, en beide proberen iets met die grens te doen, proberen hem misschien op hun eigen manier te respecteren.

Je wordt geconfronteerd met iets dat je niet bent, en leert zo, tegelijkertijd, jezelf en iets anders kennen. Dat is één gedachte, dat is één gebeurtenis, jezelf met dat andere. Wie je bent hangt af van waar je tegenover staat, en door je leven heen wordt dat meer, meer en verschillend – zoals al die zinnen van Levé, telkens weer een ‘ik’, elke keer over iets anders. Ze staan los, het zou net zo goed elke keer over iemand anders kunnen gaan. Het krijgt samenhang door de alinea – die niets anders is dan alle zinnen bij elkaar, maar toch.

Die sprong fascineert me. Al die losse stippen waaruit een lijn bestaat, hoe we van het ene naar het andere gaan.

Ik las laatst het laatste interview dat Jacques Derrida ooit gaf, waarin hij iets probeert te zeggen over hoe hij ja zegt tegen het leven.

“(…) one wants to live as much as possible, to save oneself, to persevere, and to cultivate all these things which, though infinitely greater and more powerful than oneself, nonetheless form a part of this little “me” that they exceed on all sides.”

Eerder noemt hij dat zelf narcistisch – en hij zegt zelf al dat hij dat woord ergens anders ook heeft willen ‘compliceren’ – maar ik kreeg er meteen al vragen bij.

Hoe kan het narcistisch zijn? Al die andere dingen die deel uitmaken van “this little “me” that they exceed on all sides.” Dat je zelf wilt leven, er ja tegen wilt zeggen, is geen egoïsme, want die ‘zelf’ die je behouden wilt, wordt gevormd tegenover en door al die anderen, en het ‘leven’ waartegen je ja zegt, is een leven vol met alles wat je niet bent.

“To ask me to renounce what formed me, what I’ve loved so much, what has been my law, is to ask me to die.”

Ik merkte het al eerder in zijn boeken, dat overlappen tussen wat zijn wet was en wat hij liefhad. In een mooi essay naar aanleiding van de dood van Roland Barthes, weigert hij diens ‘moeder’ als een figuur te lezen, als een idee van ‘moederschap’ – hoewel dat woord, ‘moeder’, veel eerder een concept is dan een persoon – omdat liefde ertegen protesteert. Omdat iemand het over zijn moeder had, in zijn schrijven, over zijn gestorven moeder. Omdat iemand rouwde.

Zoiets maak je niet algemeen – zoiets is niet algemeen.

Zoiets blijft vreemd, niet in de zin van dat je het niet begrijpt, of niet bevatten kunt, (altijd zo’n dode gedachte: dat we elkaar ‘nooit echt kennen’), maar omdat het, door het te bevatten, iets anders zou worden.

Sommige conclusies kun je niet elk moment trekken.

Daar doel ik ook op, wanneer ik zeg dat waarheid iets is dat plaatsvindt. Mensen die stug volhouden aan talige constructies, die altijd bepaalde ‘waarheden’ willen kunnen volhouden, begrijpen niet dat ze op sommige momenten heel iets anders betekenen.

Denken begint bij liefhebben. Bij het verlangen daarnaar – iets dichtbij te willen brengen, op zijn eigen manier, er ruimte voor maken, zodat het uit zichzelf kan komen.

Als we elkaar nooit echt kennen, dan is dat omdat we onszelf nooit kennen. Omdat we nooit af zijn. Niet omdat er een ‘onbereikbaar binnenste’ in ons zit, (al die zogenaamd nuchtere, maar hopeloze beeldspraak). Anderen kennen ons soms beter dan wij, en zien ons van een kant die we zelf niet hebben.

Dat we elkaar nooit echt kennen, is omdat we elkaar lief kunnen hebben – omdat we elkaar de ruimte moeten kunnen geven onszelf te blijven worden, om toch altijd nog te kunnen verrassen, hoewel we elkaar ook blijven leren herkennen.

Dat telkens vergissende gevoel van déjà vu, liefde. Van iets opnieuw zien, maar nooit als hetzelfde. Telkens hier en nu en nabij. Liefde leert ons andere versies van onszelf kennen, omdat we worden gevormd door anderen.

Omgaan met jou is het schrijven in een taal die niet mijn eigen is.

Levé beschrijft in Suicide de enige foto die hij van jou maakte. Hoe hij alles klaarzette zodat je niet hoefde te doen alsof. De foto is genomen op je verjaardag, licht bewogen, terwijl je de kaarsen uitblaast. Holle wangen, niemand anders in beeld. Life rushes from your lungs to put out the flames. You look happy.

 

 

_________________________

Dit was het laatste gastblog van Roelof ten Napel. De redactie is hem dankbaar voor zijn mooie bijdragen aan Tirade.nu. Volgende week neemt Daphne Huisden het van Roelof over.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.