When the lady smiles

De laatste maanden waren geen gemakkelijke tijd voor Birre. Zo’n niet-gemakkelijke tijd waarover je later waarschijnlijk zegt dat hij ergens goed voor is geweest. 

Gisteren zou een bijzonder niet-gemakkelijke dag voor haar worden. Ik wist dat toen we ‘s ochtends afscheid namen, maar was te zeer in de weer met het opstarten van Nadim en het samenstellen van een mentale to do-lijst voor mezelf; voor ik er erg in had was mijn vrouw de deur al uit. Met een half oog zag ik haar de straat uit fietsen, koppie scheef, haar anders zo ingesleten ballethouding even ver te zoeken.  

Nadat ik (nog lang niet) alles gedaan had wat er die ochtend moest gebeuren, was het tijd om met Nadim naar Artis te gaan, iets waarvan ik hem (dom!) al de dag tevoren op de hoogte had gebracht en waaraan hij me sindsdien elke acht seconden had herinnerd. 

Ik dacht aan Birres hangende hoofd en schouders. Aan de regen die op haar gevallen was terwijl ik me binnen (droog!) druk maakte over mijn eigen drukte. Alweer had ik een kans laten liggen om dichter bij de ideale echtgenoot te komen. Natuurlijk wist ik wat haar zo belastte, had ik haar moeten vasthouden, met haar moeten praten. 

‘Godverdomme’, zei ik terwijl ik mijn fiets van het slot haalde en Nadim in zijn stoeltje kiepte. 

‘Artis!’ zei Nadim. ‘Ooolie-Fant.’

‘Ik verwaarloos je moeder.’

‘Leeuwe. Giraff. Sthuisssvooooghelll.’

Ik liet Nadim nog wat beesten opnoemen om hem af te leiden van de slagregens en slalomde door het verkeer in de richting van de dierentuin. Sinds ik een kind heb, stop ik bij elk rood licht. Dat geeft tijd om na te denken, en in die tijd besloot ik dat er maar één ding te doen was. Er moest op ouderwetsche wijze boete gedaan worden voor mijn onachtzaamheid. Ik haalde mijn iphone uit mijn zak en – een hand boven het schermpje tegen het hemelwater – zocht tussen mijn Appjes naar mijn banksaldo. 

‘Artis!’ zei Nadim.

‘Kut,’ zei ik, en drukte de rode cijfers weg. Even later zette ik mijn fiets op slot tegen het hek van de hoofdstedelijke ZOO. 

Alle dieren die Nadim had opgenoemd waren er. De kleine zoogdieren zaten te rillen in hun binnenhokken en de papegaaien hadden zulke natte veren dat ze eerder kleurige stekelvarkens leken. Al snel waren we in het aquarium. Nadim benoemde de verschillende zwembeesten door met een vette vinger tegen het glas te duwen en ‘Visss’ te zeggen. Gelukkig wilde hij dit keer wel even stilstaan bij het mangrove-aquarium waarin de reuzenmeerval zwemt. De reuzenmeerval is oeroud, groots en schijnbaar onverwoestbaar. Doodstil hangt hij in dat donkerbruine water, de helft van zijn lijf van schaduw en de andere van licht gemaakt. De reuzenmeerval is een eng beest, maar ik voel me veilig en rustig, bij hem. Of haar. 

‘Papa?’

‘Hmmm?’

‘Pingu kijken?’

Met pijn in mijn hart verliet ik de donkere baarmoeder van het aquarium om te gaan zien hoe een magere man met hoornen bril stokoude pinguins haring voerde. Het merendeel van de vis ging overigens naar de reigers. Nadim wees naar de vale grijze beesten en gierde van de lach. Ik maakte een foto en stuurde hem aan Birre.

Het was lang geleden dat ik Birre had zien lachen. 

Nog een minuut of tien, dan zou ik Nadim met de belofte van Turkse pizza uit Artis weglokken. Onderweg naar de Rozengracht, bij een winkeltje op een hoek, lag een paar oorbellen te wachten op de man die ze zich helemaal niet kon veroorloven. 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Foto van Gilles van der Loo
Gilles van der Loo

Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver, schrijfdocent en journalist. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in de bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit (nominatie Academica) en de romans Het laatste kind, Het jasje van Luis Martín en Dorp (nominatie Boekenbon- en Librisprijs). Nu in de winkel: de roman Café Dorian.