[p. 511]
Po Tsjoe I
De bloemenmarkt
In de Koninklijke Stad is de lente bijna voorbij;
Met vrolijk gerinkel rijden koetsen door de straat.
‘Dit is de tijd van de pioenrozen’, zeggen wij tegen elkaar;
En wij volgen de mensen die naar de Bloemenmarkt gaan.
‘Goedkope en dure bloemen – geen vaste prijs;
Wat een plant kost hangt af van het aantal bloesems.
De vlammend rode, wel honderd aan een steel;
De bescheiden witte, met slechts vijf knoppen.
Een daktent om ze tegen de zon te beschermen;
Een gevlochten scherm om ze van de tocht af te sluiten.
Als je de wortels met vochtige aarde toedekt
En ze met water besprenkelt, zullen zij hun schoonheid niet verliezen.’
Gedachteloos volgt elk huis de oude gewoonte
En niemand geeft zich rekenschap.
Het gebeurde dat op een dag een oude boerenarbeider
Voorbij de Bloemenmarkt kwam.
Hij boog het hoofd en slaakte een diepe zucht;
Maar niemand begreep zijn zucht.
Hij dacht: ‘Eén bos donkerrode bloemen
Brengt net zoveel op als wat tien arme gezinnen aan belasting betalen.’
Vertaald door Adriaan Morriën uit:
Arthur Waley, Chinese poems, Allen & Unwin 1946
[p. 512]
Geheugensteun voor Min-Ch’ao
Het vuur in de kachel is bijna gedoofd, de lamp brandt met een lage vlam.
Tegenover elkaar zitten wij de lange nacht uit en stapelen smart op smart.
Als wij elkaar later ooit nog weer eens zullen ontmoeten,
Mogen wij niet vergeten wat wij vannacht, zittend onder de lamp, hebben gevoeld.
Vertaald door Adriaan Morriën uit:
Arthur Waley, The life and times of Po-Chie-I, Allen & Unwin 1949
[p. 513]
Regen
Van het ogenblik af dat ik als een vreemdeling in Hsun-yang kwam wonen,
heeft het naargeestig geregend, uur na uur.
Slechts nu en dan een dag waarop de donkere hemel lichter werd
en lusteloos slapend heb ik veel tijd voorbij laten gaan.
Het meer is zo groot geworden dat het bijna één is met de hemel.
De wolken zijn zo zwaar dat zij het water raken.
Achter mijn haag hoor ik de schipper praten.
Aan het eind van de straat hoor ik de visser zingen.
Vogels zijn slechts vaag een ogenblik zichtbaar in de gele lucht.
Opgejaagde zeilschepen vechten met de witte golven.
Voor de poort van mijn huis is de rijweg
in één nacht in de bedding van een rivier veranderd.
Vertaald door Adriaan Morriën uit:
Arthur Waley, Chinese poems, Allen & Unwin 1946




