Ik heb nog nooit zo uitgezien naar de lente. Elke ochtend is als opstaan uit het graf – alsof ik me diep onder de grond bevind en me aan de randen van een koude kuil moet ophijsen.
Dit mag geen gotische vertelling worden; wat ik bedoel is dat ik de hele tijd moe ben. Ook als ik om halftien al in mijn nest lag kost het me de grootste moeite ontbijt voor mijn gezin te maken, Ada naar school te brengen, aan het werk te gaan.
Misschien hoort dit allemaal bij mijn herstel na een lange slopende periode. De afgelopen zomer was de eerste in drie jaar die ik bewust heb meegekregen – ik was nog aan het ontdooien toen de eerste herfststorm zich weer meldde.
Een alternatieve of parallelle verklaring voor mijn vermoeidheid zie ik in de jaarringen van bomen.
In een klimaat met seizoenen maken bomen elk jaar een nieuwe laag hout aan. De brede lagen in de dwarsdoorsnede van hun stam ontstaan in de lente en zomer, de smalle komen van de herfst en winter.
Donkere en koude maanden zien dus nauwelijks groei. De boom spaart dan haar krachten, trekt zich in zichzelf terug om in de lente weer volop uit te lopen; ook mensen zijn gevoelig voor licht en temperatuur.
Er is heel veel in mijn dagen en weken om naar uit te zien – ik houd van mijn werk en vrienden, van mijn buurt en stad, maar als B me bij het ontbijt vraagt waar ik vandaag zin in heb dan zeg ik dat ik alleen maar wil slapen.
Ik geloof dat het van groot belang voor vrouwen is om op de werkvloer rekening te mogen houden met hun cyclus. In het verlengde daarvan wil ik signaleren dat de aarde en alles wat daarop leeft ook een cyclus heeft, die nog niet eens in het dénken over onze arbeidscultuur wordt meegenomen.
_______________________________________________
De poes op de foto doet het nog één keer voor






