Kollaards engagement

De laatste dag van de koning (2021) komt mooi ten einde: deze heruitgave van de twee verhalenbundels van Sander Kollaard wordt afgesloten door een reeks verspreide, voornamelijk in tijdschriften gepubliceerde essays. De enerverende stukken over het werk van Stephan Enter, Elisabeth van Nimwegen en Charles Darwin, bijvoorbeeld, verschenen afgelopen jaar in Tirade, en ik kan liefhebbers en bewonderaars alvast verklappen dat ook ons komende zomernummer weer een bijzonder essay van Kollaard zal bevatten.

Mijn belangstelling ging echter vooral uit naar een korte tekst uit 2014 die niet eerder gepubliceerd was: ‘Nabokovs engagement’. Het is een wat schetsmatig stuk over de eeuwige discussie omtrent politieke betrokkenheid en literatuur, ditmaal naar aanleiding van enkele polemische opmerkingen van Anton Dautzenberg. Net als veel van de andere essays is deze tekst tegelijkertijd speels en zeer gestructureerd van opzet. Kollaard werkt stapsgewijs en benoemt steeds wat hij aan het doen is, als een scholier die een scheikundige proef uitvoert – of het elders in het boek genoemde leraarschap van zijn vader hier iets mee te maken heeft, durf ik niet te zeggen. De gedachtesprongen worden steeds zorgvuldig gegrond en ingekleed, waardoor je de schrijver als het ware ziet denken op de pagina en hem stap voor stap kunt volgen.

Tegenover Dautzenbergs strenge maar in de praktijk tamelijk vage pleidooi voor directe politieke betrokkenheid (de vraag blijft dan natuurlijk: hoe precies?) plaatst Kollaard het gedachtengoed van Milan Kundera, zoals hij dat afleidt uit het boekwerk De kunst van de roman (1986): ‘Kundera heeft een heel andere opvatting van engagement. Hij bepleit een engagement met de literatuur zelf, met de roman, of preciezer nog: met de complexiteit van onze levens, waarmee de roman zo goed uit de voeten kan.’

Dat verbindt Kollaard weer met zijn eigen leeservaring van Nabokovs illustere puzzelroman Pale Fire (1962). Hoewel hij notoir apolitiek is, is juist deze schrijver voor hem een toonbeeld van betrokkenheid. Niet omdat hij zijn werk lardeert met statements en strijdkreten, maar omdat hij het leven ongekend precies in fictie weet te vangen: ‘Zo laat Nabokov zien wat literair engagement is: hij maakt ruimte voor de verbeelding en daarmee voor de individualiteit van zijn lezers.’

Die individualiteit heeft Nabokov dan ook vurig bevochten. Zijn weerstand tegen marxistische en psychoanalytische interpretaties van literatuur (de ‘Weense delegatie’ moest volgens Nabokov uit zijn buurt blijven) is daar volgens mij een direct gevolg van. Theoretische generalisering gaat immers altijd gepaard met reductie, waardoor de uniciteit van de menselijke ervaring in het gedrang komt. Voor Nabokov was de maatschappelijke buitenpositie van kunst van levensbelang: juist omdat de schrijver zich niet direct tot ideologische stromen hoeft te verhouden, kan hij zijn eigen, unieke blik op de wereld intact houden.

Zo fel en bokkig als de Russische meester is Kollaard bepaald niet, maar ook hij stelt zich uiteindelijk een vergelijkbaar doel: al schrijvend het leven vangen, in al zijn specificiteit, vluchtigheid en particulariteit, waardoor het ons iets minder snel lijkt te ontglippen.

En terloops vroeg ik me af: kunnen we in deze beginselverklaring niet de kiem van Kollaards gevoelige en vorig jaar bekroonde roman over het alledaagse ontwaren?

Lodewijk Verduin

Lodewijk Verduin (1994) studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Hij schrijft over literatuur en is redacteur van Tirade.